elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drietip

drietip , [driehoekig van vorm] , dreetippe , driekante hoed, steek; dat is nog ʼn echte domeneer, hij hef de dreetippe nog op. Gron. treitimpte houd. Oostfr. dreetimpt = driehoekig, van een steek, in vroeger dagen de gewone dracht der boeren (ook in Gron.); Westf. draitimpig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
drietip , drietip , driehoek, o.a. een werktuig om sneeuw op te ruimen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
drietip , dreitip , de , 1. hok voor wc (Zuidwest-Drenthe, zuid) Vrogger hadden de mensen een dreitippe achter het huus. In een dreitippe haj vake gien tonne. Zo’n dink worde miest baoven het mestgat ebouwd (Hgv) 2. kastje in de hoek (Kop van Drenthe) 3. kraagdoek (Midden-Drenthe) 4. driehoekje
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drietip , drietip , zelfstandig naamwoord , driehoekig stuk land (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal