elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drijftol

drijftol , [soort tol] , drîvetòl , (mannelijk) , drijftol.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
drijftol , driftollĕ , drijftol, 26.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
drijftol , driêftol , m , drijftol (Draaitol met een zweepje.) [Gra]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
drijftol , drèèfdölleke , zelfstandig naamwoord , drijftol. Meisjes speelden met een drèèfdölleke dat met een zweepje werd aangedreven. Dikwijls had het de vorm van een paddestoel. Zie ook: hakdol.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
drijftol , drieftolle , tol die met een zweep aangedreven werd.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
drijftol , drieftol , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = tol, die met een zweep wordt gezet De drieftolle wörde in de grond ezet, touwgien der umme en dan anhalen tut de tolle drèeide en dan mar zwepen (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drijftol , drieftolle , zelfstandig naamwoord , de; drijftol
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drijftol , drieftolle , (zelfstandig naamwoord) , drijftol, zweeptol. Zie ook: nakeneersien, zweptolle.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
drijftol , dreefdölleke , driefdol , zelfstandig naamwoord , drijftol (Helmond en Peelland); driefdol; drijftol (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
drijftol , drèèfdölleke , zelfstandig naamwoord, verkleind , drijftolletje; kinderspeelgoed: drijftol, tol die met een zweepje in beweging moet worden gehouden (aandrijven); zie hakdöllekes; Cees Robben – [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkôôpte sewèèle nog drèèfdöllekes meej ’n zwipke en hakdöllekes meej ’n piske... (19800418); Henk van Rijen: drijftolletje; WBD (III.3.2:81) drèèftòl, draajtòl, drèèfdòl; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – drèèfdölleke - drijftol
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal