elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: druil

druil , drul , druil , (bijvoeglijk naamwoord) , Druilig, slaperig, waterig en gezwollen; van de ogen, vooral ten gevolge van verkoudheid. || Je hoeve (behoeft) niet te vragen of ze verkouwen is: wat staan der ogen drul. Zijn ogen stonden zo drul. Wat kijk-je drul. Wat zien-je der drul uit, heb-je slecht ’eslapen? ‒ Evenzo verderop in N.-Holl. Vgl. ook May-gift 33: “Ziet hoe drul de Leeuw’rik staat, als ’t niet na haar zin en gaat”. ‒ Molema 88 vermeldt drel, stijf van de slaap (van oogleden); vgl. dral. ‒ Zie drol en vgl. Ned. druilen. ‒ Daarnaast ook druil. || Zen ogen staan druil van verkouwenis.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
druil , druul , zelfstandig naamwoord de , 1. Treuzelaar. 2. Stommeling, stuntel. 3. Druiloor.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
druil , droel , sufferd, sloom persoon
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
druil , [duivel] , druil , duivel, boze geest (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
druil , druul , 1. sloom persoon (Putten); 2. vies restje, bijv. koud geworden koffie (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
druil , droel , zelfstandig naamwoord , druiloor (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal