elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: duikelen

duikelen , dukkelen , Duikelen.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
duikelen , dukeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , duikelen, buitelen, voorover vallen Hie is in het water dukeld (Sle), Hij dukelde van de waegen of (Dwi), zie ook koppeltiendukeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
duikelen , dukelen , werkwoord , 1. duikelen: over het hoofd buitelen 2. in bijv. Ie mossen de klompen dukelen d.i. op de punten van de klompen lopen, nl. omdat het land erg nat was
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
duikelen , dukelen , (werkwoord) , dukelen, edukeld , duikelen. Zie ook: toeselen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
duikelen , dönkele , werkwoord , duikelen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
duikelen , dukele , dukeltj, dukeldje, gedukeldj , duikelen , Köpke dukele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
duikelen , dèùkele , zwak werkwoord , WBD III.1.2:11 'duikelen' = vooroverduikelen; ook: 'tuimele', 'stulpen'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal