elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: duivelshaar

duivelshaar , duuvelshaor , donsveren , Die jóng veugeltjes hébbe nog duuvelshaor die zén nog mér 'n lutske ût aoj. Die jonge vogeltjes hebben nog donsveren die zijn nog niet lang uit het ei.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
duivelshaar , duuvelshaor , zelfstandig naamwoord , dons bij jonge vogeltjes (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
duivelshaar , [nestharen ] , duvelshaor , (vrouwelijk) , 1. nestharen 2. dons van uitgebroede vogels
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
duivelshaar , du~velshaor , donshaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal