elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: duts

duts , dutsel , dutske , duts zegt men van een teutelachtig vrouwspersoon, vooral, indien dezelve niet doorzigtig of schrander is. dutske of sukkeltje is hier ee
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
duts , duts , m , deuk
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
duts , duts , m , slome man; dooie diender, droogkloot Wánnen duts Wat een droogkloot!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
duts , duts , ennen deuk.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
duts , duts , deuk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
duts , duts , zelfstandig naamwoord , deuk (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk); duts; slome vrouw (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal