elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dwaalschaap

dwaalschaap , dwalkschaop , zelfstandig naamwoord , afgedwaald persoon (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dwaalschaap , dwalkschaop , zelfstandig naamwoord , " letterlijk: een afgedwaald schaap; - alleen aangetroffen in Tilburgse bronnen; - het woord gaat terug op de bijbelplaats(en) waar afvallige gelovigen vergeleken worden met schapen die uit de kudde van de herder treden - zie met name de parabel van het 'verloren schaap', en Psalm 119: 'Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.';  - 'dwalk' lijkt een verbastering van 'dwalen', 'afdwalen' - zie WNT lemma Dwalen; - het woord is overgedragen op zeer uiteenlopende 'buitenbeentjes', zoals: - WTT - afgedwaald schaap; figuurlijk: iemand uit de familie die aan lager wal geraakt is; Pierre van Beek - Ook ooit gehoord van een ""dwalkschaap""? Dit is een bepaald soort mens. Iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken, die niet weet wat hij wil, nu eens hier, dan daar rondhangt, soms ook wel aan de zwerf gaat. Enfin, iemand, die niets presteert en waarmee ook niets valt aan te vangen. Dus een a-sociaal persoon of een in de maatschappij verdoolde. ""Dwalken"" houdt verband met ""dwalen"". Het lijkt ons niet uitgesloten, dat ons woord uit de schapenwereld stamt. Waarom zou een schaap met een neiging steeds van de kudde af te dwalen niet ""dwalkschaap"" genoemd zijn? (Tilburgse Taalplastiek 25-1-1974); Cees Robben – [vader tegen zoon:] Ge bent toch mar ’n dwalkschaop... [zoon:] Dè zen de biste vadder... Onzen lieven heer gong ze zuuke... (19721229); Frans verbunt (1993) - dwalkschaop - sukkelaar, zwerver; Goedgetòld (2004) - dwalkschaop - zwerver, ontheemde; overdrachtelijk: iemand die de weg in het leven kwijt is. - toen hullie moeder dood waar, wierie en dwalkschaop: toen zijn moeder gestorven was, raakte hij letterlijk en figuurlijk ontheemd. - We waaren ammòl schaope van de Goejen Hèrder èn zeeker gin dwalkschaope. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005); Henk van Rijen: 'dwallegschaop' - buitenbeentje, zwart schaap; Stadsnieuws: Toen hullie moeder dôod waar, wierie en dwalkschaop - …raakte hij letterlijk en figuurlijk ontheemd (021209)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal