elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: embouchure

embouchure , ammezuur , m , de ’blaas’-methode bij een blaasinstrument. Héj hét goejen ammezuur (embouchure F) veel lucht.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
embouchure , ammezuur , zelfstandig naamwoord , Van het Franse woord embouchure (mondstuk van een blaasinstrument). 1. Ammezuur hèbbe wil zeggen dat men aanleg heeft voor het bespelen van zo’n instrument. Tammezuur (opgericht in 1982) is een wijd en zijd vermaard muziekgezelschap. 2. Maar soms hebben de leden gin ammezuur mir. Dat is een tweede betekenis: geen puf meer hebben, niet in conditie zijn.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
embouchure , ammezuur , inspiratie , És ge bè de hérmenie zét én ge héd ginne ammezuur, dan kun'de bèèter thûis bliive. Als je bij de harmonie bent en je hebt geen inspiratie, dan kun je beter thuis blijven.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
embouchure , ammezuur , zelfstandig naamwoord , [Fra, embouchure] embouchure, mondgevoeligheid bij het bespelen van een blaasinstrument We mosse saeves ôk nog blaeze, maor ‘k ha’ bekant gêên ammezuur meer We moesten ook ’s avonds nog spelen, maar ik had bijna geen embouchure meer
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
embouchure , ammazuur , embouchure, lucht en lipspanning om op een instrument te kunnen blazen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
embouchure , ammezuur , zelfstandig naamwoord , de juiste mondzetting, het goede gevoel, inspiratie (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
embouchure , [lipspanning ] , ammezjuur , (onzijdig) , lipspanning voor ’t bespelen van een blaasinstrument , Ich höb gein ammezjuur mieë.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
embouchure , amezuur , asem; adem; ’k hep geen amezuur; Uit ’t Frans: een embouchure is een mondstuk (vergelijk: zich ’t apezuur lope, hetgeen betekent: buiten adem zijn van ’t lopen)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
embouchure , ammezuur , zelfstandig naamwoord , uit het Franse embouchure; WNT – a. Mondstuk van een blaasinstrument. b.  De houding van lippen, tong en andere lichaamsdeelen betrokken bij het bespelen van een blaasinstrument; ook: de wijze van aanblazen, het toongeven op een blaasinstrument. —  Een goede embouchure hebben, een blaasinstrument door een goede mond- en ademhalingstechniek goed en zuiver bespelen .R uithoudingsvermogen; Mar Kareltje kreeg er zjenie en ammezuur in; (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940); Frans Verbunt: vermogen om goed op een blaasinstrument te spelen; lipspanning; - In het Tilburgs wordt ‘en goej ammezuur’ gebruikt om aan te geven dat men goed in vorm is of in goede conditie .Cees Robben – [laat de muziekkiosk van het Wilhelminapark aan het woord:] Ik ben un kios mee un goei ammezuur... (19550730); R Hij heej nòg den amezuur van ene jonge kèèrel .Cees Robben: Hij heej den amezuur nòg van ene fèfteger (Burgemeester van Voorst tot Voorst, 1e spade hoogspoor.); Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'aonmonding'; Henk van Rijen: ginnen ammezuur hèbbe - geen lust, fut, animo hebben; Van Rijen (1998): Vandaog gin ammezuur - vandaag geen zin / lust; Frans Verbunt: De blaozers v.d.hèrmenie vatten en paor glaoze bier vur et ammezuur .ÈN MAR BLAOZE…; Den aawe Jan Buuster; (wie kènt die naa nie); blaost tweej instremènte; bij de Stadshèrmenie . Hij blaost bij de marse; ’n koopere trompèt; èn bij de klassieke; ’n hêel aaw kòrnèt . Nao lang rippeteere; verlies d'ammezuur .Dan vatte wè pilskes .Dè schilt op den duur; (Piet van Beers; CuBra; 20??); WBD (III.3.2:325) ammezuur = mondstuk; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): amezü.jer zelfstandig naamwoordo. ammezuur, embouchure, mondstuk v.e. blaasinstrument...; Verbinding 'ammezuuier hebben (op)' zekere geschiktheid bezitten voor het bespelen van (een af ander blaasinstrument). Z.a .Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): AMMEZUUR - 'ammezuur hèbbe'- aanleg hebben v. 't bespelen v.e. instrum .A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ammezuur - embouchure (Hamont-Achel); Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): ammezuur is onze variant van embouchure (I:14)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal