elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: emmeren

emmeren , emeln , onzin babbelen; Stadsfriesch emmelen = zaniken. Zie: dwelmen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
emmeren , émmere , drammen Lig daor nie zò te émmere, klótjong! Zit niet zo te drammen,vervelende jongen!.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
emmeren , emmeren , werkwoord , emmeren, zeuren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
emmeren , emmere , werkwoord , zeuren
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal