elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fabrikant

fabrikant , fabriekaant , zelfstandig naamwoord , (textiel) fabrikant (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
fabrikant , fabriekaant , fabberiekaant , zelfstandig naamwoord , fabrikant; We hebben de schoonste stad van et laand,/ en onze vadder is fabberikaant! (Piet Heerkens; uit: Brabant, ‘Tilburg zingt’, 1941); Cees Robben – En we worre mar fabberiekaant... (19580308); Cees Robben – Gatverdikke dan ben ikke/ Net unne rijke fabrikaant..! (19540612); Mandos, Brabantse Spreekwoorden: De fabrikaant èn de pestoor die lôopen in dezèlfde voor (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1973) - die hebben dezelfde opvattingen; Henk van Rijen: segaarekiesjesplènkskesspèèkerskesfabriekaant - klein baasje; Elie van Schilt - Vruuger hadden we ok nog pastoor en fabrikaant/ Die mokte det we nie lééfden boven onze staand. (Uit: ‘Men stad’; CuBra ca. 2000); Elie van Schilt - ut was irst un villa van un rééke fabrikaanten familie. (Uit: ‘Men stad’; CuBra ca. 2000); GD05 de fabriekaanten èn pestoors waare wèl rèèk
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal