elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fazel

fazel , vazel , teeldeel der koeien. HD. fasel (Opperd. en Nederd.) = het jonge broed, ook: de voortplanting, inzonderheid van dieren; ook Westf. faseln = zijn geslacht voortplanten; faselvieh = vee om te fokken, fokvee; Westf. faselswîn, faselferken = moedervarken als fokdier. Daar ook oudt. (1265): vaselosse, vaselbehr; he es ter fäsel verdorwen = hij is ter voortteling ongeschikt = hij is te vet.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
fazel , [geslachtsdeel van een dier] , fazel , (vrouwelijk) , de kling, geslachtsdeel, voornamelijk van koeien gezegd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
fazel , vaazl , zelfstandig naamwoord, onzijdig , geslachtdeel van koe
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fazel , vaazel , geslachtsdeel van de merrie, uitwendig zichtbaar.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
fazel , venazel , zelfstandig naamwoord , (accent op a ; de beide e ’s als in de ) rafel (KRS: Lang)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
fazel , fazel , geslachtsdeel van koe en varken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
fazel , vazel , vaezel, vaarzel , het , vazels , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook vaezel (Zuidwest-Drenthe, noord), vaarzel (Zuidoost-Drents zandgebied) = schede van koe of varken Dat zwien bluit arg in het vazel (Pdh), Het biest hef bols west, want hie hef bloed an het vaarzel zitten (Bui), Het vazel van die koe is oetscheurd bij het kalven (Hijk), z. ook zetel, kling
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fazel , vazel , (Kampereiland, Kamperveen) uitwendige geslachtsdelen van vrouwelijke dieren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fazel , fazel , geslachtsdeel van de koe.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
fazel , voazel , vôzzel , vagina
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
fazel , vaozel , uitwendig geslachtsdeel van een koe (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
fazel , vaazel , vaarzel , zelfstandig naamwoord , uitwendig geslachtsorgaan van een koe of merrie (Land van Cuijk); vaarzel; uitwendig geslachtsorgaan van een koe (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
fazel , vaazel , zelfstandig naamwoord , vrouwelijk geslachtsdeel; WBD III.1.1. lemma  schede – vazel, frequent noordoostelijk omgeving van Tilburg; WTT 2013 - de etymologie van dit woord is volstrekt onduidelijk
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal