elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: feitelijk

feitelijk , feilijk , feitelijk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
feitelijk , feitelijk , feitlijk, feilijk , Ook feitlijk (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), feilijk (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = in werkelijkheid, eigenlijk Feitelijk mucht het neeit, mor wij deden het toch (Nor), Ze kunt wel wat zeggen, maar het is feitelijk niet te zeggen hoe het of zal lopen (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
feitelijk , faaitelek , bijwoord , feitelijk, eigenlijk ’t Mag faaiteluk niet, maor ze hebbe d’r schijt an Het mag eigenlijk niet, maar het kan hen helemaal niets schelen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
feitelijk , failek , bijwoord , in feite (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
feitelijk , fèètelek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Henk van Rijen: feitelijk, eigenlijk
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal