elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: femel

femel , femel , v , huichelaarster.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
femel , fiemel , zelfstandig naamwoord de , 1. Iemand die met zijn handen overal aan zit. 2. Woelwater.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
femel , fiemel , iemes die ovverdreve poetst.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
femel , femeltie , kwezel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
femel , fiemel , fiemelaar, fiemelboks, fiemeldeus, fiemelgat, fiem , fiemels , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook fiemelaar, fiemelboks (Zuidoost-Drents zandgebied), fiemeldeus (Kop van Drenthe), fiemelgat (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), fiemelkont (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), fiemelpuut (Zuidoost-Drents veengebied), fiemelzak (Zuidwest-Drenthe, zuid) = iem. die niet opschiet, knoeier, priegelaar Mit zo’n fiemel kan gieniene wat beginnen (Ruw), Wat een fiemelgat, hij schöt gien donder op (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
femel , feemel , zelfstandig naamwoord , kwezel (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
femel , [vleier] , femel , (vrouwelijk) , femels , femelke , vleier
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal