elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ferm

ferm , ferm , (bijvoeglijk naamwoord) , ferm.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
ferm , farm , (bijvoeglijk naamwoord) , ferm.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ferm , ferm , Bij v. Dale: ferm, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord = vast, fiksch; dat is ferm = opperbest; ’t is een ferme kerel = een degelijke kerel; houd u ferm = houd u goed. – Hier is ferm een versterkt begrip van fiks, en ziet vooral op het karakter; fiks noemt men wat goed, wat zóó is, dat het elken toets kan doorstaan; da’s fiks = zóó als wij ’t wenschen, of: zóó als het behoort; ’n fikse jōng (jongen, enz.) = een jongeling waarop niets te zeggen valt; hij ’s fiks genōg = knap in handel en wandel, braaf, eerlijk; ferm zegt meer en veronderstelt: handelen uit beginsel, er kome van wat wil, kordaat handelen, toonen fermitait (fermeteit) te bezitten. Ook wanneer het alleen op het uiterlijke ziet; ’n ferme kerel = een forsch gebouwd persoon met eene mannelijke houding. Oostfriesch ferm = vast, mannelijk, standvastig, ’t Fransche ferme; Latijn firmus = vast, van: firmare = versterken, bevestigen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ferm , ferm , farm , Ook farm (Zuid-Drenthe) = flink Geef hum mor een ferme tik (Bal), Wie kennen hom wel ain ferm pak slaoge geven (Vtm), Een ferme vent (Bei), Ja, het is een ferme donder, dat peerd (Exl), Ik heb hum der ferm van langes geven (Die), Kom ies even bij mij, mien jong, dan za’k je is even ferm wat veur de kont geven (Zwe), Dende giet er ferm tegenan (Zwi), Warkt mar farm, dan bin ie zo warm! (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ferm , färm , ferm, flink. Gunninks woordenlijst van 1908: Färm kòld ‘zeer koud’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ferm , furm , bijvoeglijk naamwoord , ferm, fier Furme jonges, stoere aope Ferme jongens, stoere apen (variant op het volkslied ’Ferme jongens, stoere knapen’)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ferm , ferm , bijvoeglijk naamwoord , flink (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ferm , fèèrm , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , Henk van Rijen: ferm, flink; WBD III.1.4:164 'ferm' = pront; WBD III.4.4:203 'ferm' = rechtopstaand, ook 'fluks', 'steil'; WBD III.4.4:222 'ferm' = behoorlijk groot, flink, groot
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal