elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fiets

fiets , fîtse , Rijwiel. De naam “fîtse” zou het eerst in Deventer gebruikt zijn.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
fiets , fietse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , fietsn , fietsken , fiets
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fiets , fiets , v , ondermelk, wei van de melk De bagge zien án de spel van de fiets De biggen zijn aan de diarree van de ondermelk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
fiets , fiets , fietse , fietsen , Ook fietse (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. fiets Wij wolden eerst gaon lopen, maor wij gaot maor op de fietse (Hgv), Ik heb hum mooi op de fietse op de kast (Hol), Wat he’k nou an de fietse hangen! wat gebeurt me nu toch (Bov), Ie kunt het weten, ie hebt een fietse (Hol), ’n Stok in de fietse hebben dronken zijn (Hgv) 2. zier (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ik doe der gien fiets meer of niets (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fiets , fiets , taptemelk of ondermelk, overblijfsel na de boterbereiding.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
fiets , fietse , fiets
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fiets , fietse , fietsien , fiets.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
fiets , aauw fiets , oude fiets , Óp 'n aauw fiets moet'tet liire. Op een oude fiets moet je het leren. Gezegd wanneer bruid en bruidegom veel in leeftijd verschillen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
fiets , fiets , fietse , zelfstandig naamwoord , de 1. fiets 2. iemand op een fiets
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fiets , fiets , taptemelk , ontroomde melk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
fiets , fietse , (zelfstandig naamwoord) , fiets.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
fiets , fiets , zelfstandig naamwoord , afgeroomde melk of kaaswei (Land van Cuijk; Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
fiets , fiets , (mannelijk) , fietse , fietske , fiets , Op einen aoje fiets mós se ’t lieëre. Waat höb ich noe aan miene fiets hange?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fiets , fiets , zelfstandig naamwoord , fiets; Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Toen ik bij Thijssen-Halle (?) ging wèrreke, toen waaren er vier jonges waaren der. En toen ik bij Thijssen-Halle wèrrekte, toen was den irste dèsse daor en fiets krêege, die hadde nòg nôot gin fiets gehad èn ze moese meej viere moese ze fietse leere bij ons op de, op de plòts, op de febrieksplòts!”
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal