elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: filou

filou , fielo , in: ’t gait noa de fielo = ’t gaat verloren; hij gait noa de fielo = hij gaat dood; ’t is noa de fielo = ’t is naar de maan, naar den kelder, enz. Vgl. het Fransche filou; iemand die ons iets afhandig maakt; wat wij kwijt zijn is dus ook voor de haaien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
filou , fieloe , m , onbetrouwbaar persoon. [Gra]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
filou , filo , gierigaard; vreemd figuur.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
filou , fieloe , zelfstandig naamwoord , gemenerik (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal