elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fits

fits , fits , alleen in: gain fits of foazel = geen stukje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
fits , fitse , fits , fitsen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook fits (dk) = 1. kleinigheid, spatje Knelis keek niet op een fitsien, nooit was het hum te slim, te zoer (dk), Die magere koe, daor zit gien fitsien vleis op (wm), Het hölp hum gien fitse geen zier (Sle), Daor is gien fitse meer van over niets (Bei), zie ook fisseltie
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fits , fitske , zelfstandig naamwoord , scharniertje (Helmond en Peelland); fitske; scherfje, splinter (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal