elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flambard

flambard , flambèèr , zelfstandig naamwoord , hoed. Van het Franse flambard. Grote, meest zwarte slappe herenhoed zoals Ruud van Puyenbroek die droeg.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
flambard , flambaai , flambaar , flambaaien , (Midden-Drenthe). Ook flambaar (Kop van Drenthe) = flambard, hoed met brede rand Vrouger hadden de wichter een flambaai op (Gie), Hai het ’n flambaar van ’n houd op een buitensporig groot model hoed (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flambard , flambaer , flambaere , zelfstandig naamwoord , de; flambard
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flambard , flambéér , zelfstandig naamwoord , grote, zwarte hoed (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
flambard , flambèèr , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen: flambard, slappe deukhoed; WBD III.1.3:175 'flambard' = flaphoed; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – flambèèr - hoed (fr. flambard) z.a. WNT FLAMBARD, ontl. aan fr. - slappe, breedgerande vilten hoed.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal