elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flanel

flanel , flenel , fenel , flanel. Ook: fenel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flanel , flenel , zelfstandig naamwoord , et; flanel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flanel , flenel , (zelfstandig naamwoord) , flanel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
flanel , fernèl , zelfstandig naamwoord , flanel (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
flanel , flenel , (mannelijk) , flanel, zachte stof
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
flanel , flenèl , bijvoeglijk naamwoord , flanel; Flanel. Wollen, halfwollen of katoenen weefsel met een kort, door elkaar liggend haardek. De binding is, in tegenstelling met molton, te zien. WNT lemma Flanel – 1919 - Als stofnaam. Los geweven, gladde of gekeperde, weinig gevolde, eens geruwde, niet of slechts eenmaal geschoren wollen of halfwollen stof. Als voorwerpsnaam. Els de Baan - Het zachte donsachtige laagje, dat door het ruwen is ontstaan, maakt flanel onder meer geschikt voor babyhemdjes, beddelakens, pyjama's en overhemden (bijvoorbeeld de zogenaamde 'houthakkershemden'). (Goed garen, 1994); Cees Robben – ’t Flenelleke (19570706); Ze stonke nòr smoutolie, dè wèl, mar ze mòkten ok laoke èn ze mòkte flenèl. Èn rips, èn baaj, èn ok mesjèster. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
flanel , flenèl , zelfstandig naamwoord , flenèlleke , flanel; de verkleinde vorm ook voor een kledingstuk: onderkleed; J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Als voorwerpsnaam. Kleedingstuk van de onder 1) genoemde stof, bestemd om op het bloote lichaam te worden gedragen. Een flanel wordt gewoonlijk over de geheele lengte met knoopen gesloten en heeft geen of korte mouwen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
flanel , flenel , flanel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal