elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flantuten

flantuten , flantuten , kuren, eigenzinnigheden, grillige en omslagtige toestel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
flantuten , flantüte , (vrouwelijk) , flantüten , dwaze gewoonte.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
flantuten , flantuutn , zelfstandig naamwoord , nieuwmoodse kunsten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
flantuten , flantoet , zelfstandig naamwoord , ordinaire vrouw (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
flantuten , flantoet , zelfstandig naamwoord , "N. Daamen - handschrift 1916 - ""flantoet - eene vrouw van niet veel; ook wel als grapje gebruikt"""
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal