elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flenteren

flenteren , flenteren , (intransitief werkwoord) , bentelen, bij de straat flenteren; dat is een geflenter, dat flentert maar zoo gedurig van den een naar den ander; dat fladdert en vliegt maar immer door.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
flenteren , flenteren , (zwak werkwoord, intransitief) , Slenteren, heen en weer lopen. || Die meiden flenteren altijd bij de straat. Ze flentert maar van de ien na de aâr (vliegt altoos van de ene vriendin naar de andere). ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 28). Op Marken kent men het woord in de zin van op een draf, haastig weglopen (Taal- en Letterb. 2, 64). De eigenlijke betekenis van flenteren is fladderen, heen en weer waaien; vgl. DE JAGER, Freq. 2, 112, en zie de wdbb. op flenter, flard, lap. Het woord komt geheel overeen met Ned. slenteren; ook slenters zijn lappen, vodden.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flenteren , flentere , werkwoord , 1. Hard of gejaagd (heen en weer) lopen. 2. Slenteren, doelloos of treuzelend voortgaan. 3. Op straat zwalken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
flenteren , flèntere , werkwoord , rondhangen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal