elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flip

flip , flip , (zelfstandig naamwoord) , Meestal in verkl. flippie. Een klein wittebroodje, waarvan er vier of vijf voor een dubbeltje werden verkocht. Zowel de langwerpige broodjes (timpjes) als de kadetjes werden zo genoemd. || Geef me ’en dubbeltje flippies. De flipppies ben hier lekkerder as bij ons. Ik ken die hele flip niet op. ‒ Evenzo verderop in N.-Holl. (Taalgids 1, 110) en waarschijnlijk ook elders. ‒ ’t Is dikke flip met hem, hij is beste maatjes met hem, ’t is koek en ei.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flip , flip , vrijer Ze hét al duk ’ne néêje flip gehad. Ze heeft al vaak een andere vrijer gehad!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
flip , flip , zelfstandig naamwoord , vrijer. 1. Drieka hè wirres ’ne nuuwe flip ongezèt. Drieka heeft weer ’n andere vrijer.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
flip , flip , zelfstandig naamwoord , 2. ’n Dobbele flip was een vrij grote, sappige peer.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
flip , flippe , de , flippen , (Zuidwest-Drenthe, noord, ov) = klep De flippe van een eulieklippe (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flip , flip , in Flip, flap, flaander z. onder flaander
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flip , flippien , penis
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flip , Flippes , in Flippes telt niet men mag z’n beurt overdoen bij het laten ontglippen van de knikker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flip , flippe , zelfstandig naamwoord , de; afhangend deel van hemd of ander kledingstuk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flip , [vrijer] , flip , vrijer , Moete alwir nor oewe flip? Moet je alweer naar je vrijer?
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
flip , flip , zelfstandig naamwoord , vrijer, jongen met wie een meisje verkering heeft (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
flip , flip , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen: vrijer; WBD III.2.2:84; 'flip' = jongen met wie een meisje verkering heeft; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – flip - vrijer
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal