elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flos

flos , plos , flos , kwast van zijde, wol en andere fijne voorwerpen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
flos , floes , zelfstandig naamwoord , damesonderbroek (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
flos , flos , zelfstandig naamwoord , pluim (aan staart, muts enz.) (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
flos , [pompon] , floes , (vrouwelijk) , floeze , fluuske , pompon, kwast, wollige bol
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
flos , flòs , zelfstandig naamwoord , takje met een pluis aan een den
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal