elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flors

flors , flōrt , bocht, bv.: flōrt van melk. Zoo zegt men ook: schiet van melk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
flors , flōrs , de roode en de zwarte vrouwen, heeren en azen; men zet een geldstuk op flōrs, en het spel zelf heet: flōrsen = op flōrs doun. Bij ’t bluffen wordt het wel door twee (of drie) naast elkander zittende personen onder de hand gespeeld, en zal wellicht één zijn met: flausen, omdat het licht aanleiding tot fopperij geeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
flors , flort , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , 1) In de uitdr. aan de flort zijn, voortdurend heen en weer drentelen (de Wormer). Hetz. als florten 1; zie aldaar. || Wat ben-je weer an de flort. ‒ Ook: een vrouw die zich zonderling kleedt en die zonderling doet (Assendelft). || ’tIs ’en rare flort. 2) Windje, veest. || Een flort laten. ‒ In deze zin ook elders in Holl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flors , flors , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Windje, veest. Synon. flort. || ’En flors laten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flors , flōrt* , ook = ʼt Nederlandsch: bocht, bvb. in: flōrt van melk, enz.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
flors , flort , zelfstandig naamwoord de , 1. Slordig geklede vrouw. 2. Uithuizige vrouw. 3. Dunne stront, veest. Zegswijze gien flort, totaal niets. | Skeêlt m’n gien flort. – An de flort weze. 1. de hort op zijn. 2. doelloos heen en weer lopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
flors , flors , zelfstandig naamwoord , florse , florsie , scheut, golf (vloeistof) Motjie een grôôte flors of een klaain florsie mellek in de koffie?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
flors , [vrouwelijk geslachtsorgaan] , flors , 1. vrouwelijk geslachtsorgaan; 2. plens, scheut, golf, straal water.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
flors , [plens] , fleurs , 1. plens, scheut, golf, straal water; 2. slappe, brijachtige massa; fleursen, morsen, knoeien (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
flors , floerts , zelfstandig naamwoord , diarree (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal