elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fluiten

fluiten , [blazend een geluid produceren, urineren] , fluiten , (sterk werkwoord) , fluiten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
fluiten , flaiten , floiten , flaiten (Oldampt, Westerwolde), floiten (Stad-Groningsch) in de Ommelanden fluiten; ’k wil die wat flaiten = ’k zou je danken! Verzachtend voor: ’k wil die wat schieten. “Dan zol ’k in nut en societaiten, In peerd en seeze mooi wat flaiten, En drinken bijr in ploats van wien.”“Loat Loeks moar loopen, blief er van! ’k Wol hom, was ’k die, wal flaiten.” – flait in de voeste den heste nog niks (blaas in de vuist dan hebt gij nog niets), zooveel als: doe maar geen vergeefsche moeite. Oostfriesch ’k wil dî wat fleiten; ik set dî up mîn dûm un fleit dî na Egypten. Strelitz De in de en hand fleut un in de anner wünscht hett in beid lik väl. Zie ook: flaite.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fluiten , fluite , wateren. Ik mot ’es effe fluite. Ie ston te fluite. (men fluit om een paard, of zich zelf, te doen wateren).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
fluiten , fläuten , zwak werkwoord , fluiten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
fluiten , fluiten , “Mèd, haas-je, de fluit heb al geflooie.” (Fabrieksmeisjes die elkaar tot spoed aansporen).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
fluiten , flùejtn , werkwoord, zwak , fluiten. Flùejtekeal, iem. die vaak fluit
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fluiten , floiten , fluiten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
fluiten , fluitend , in de zegswijze hai staat fluitend op en gaat gierend te bed, gezegd van iemand die (door het vele roken) zeer kortademig is.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fluiten , fluiten , flaaiten, floiten , Ook flaaiten (Zuidoost-Drents veengebied), floiten (Veenkoloniën) = 1. fluiten De fluitketel fluit! (Row), Hij floot mie oet bère (Bov), Daor kuj wel naor fluiten dat gaat je neus voorbij, je krijgt er niets van (Hijk), Hij is hen fluiten verdwenen (Hgv), De centen bint fluiten op (Hgv), Je kunt um mij hen fluiten lopen naar de bliksem (Dro), zie ook bij musch 2. plassen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij hef hum niet allend mit fluiten versleten van een man met veel kinderen (Mep) *Een maegien dat fluit is het fetsoen uit, maor die het niet kan, is niks an (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fluiten , fluiten , fluit, fleut / fluiten (Kampen), fleuten / fluiten , fluiten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fluiten , flûite , fluiten , Teege de manne zègge ze dés'se bróódkörsjes moete eete, um gaauw te kunne flûite. Tegen kinderen zegt men dat ze broodkorstjes moeten eten, om vlug te kunnen fluiten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
fluiten , fluutere , fluiten , Héij zit aalté wa te fluuttere, ik dènk mér dét'tie dan hiil goeje zin hi. Hij is altijd wat aan het fluiten, ik denk dat hij het dan heel goed naar de zin heeft.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
fluiten , fluiten , werkwoord , 1. fluiten 2. bep. geluid maken door bijenkoningin 3. gezegd m.b.t. met gieren, fluiten vergeleken diarree
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fluiten , floite , uitdrukking , [Obl] Maaides die floite en haone die kraoie mojje de nek omdraoie Iedereen moet die dingen doen die in zijn aard liggen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fluiten , fluutere , werkwoord , fluiten (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
fluiten , fluite , ich fluit, doe flöts, flötj, zie fluite, floeat , fluiten , Dao kóns se nao fluite. Det kan fluite nao zien duite. Ei veugelke det te vreug flötj, kriegt uueverdaag de kat. Hae is fluite: hij is er vandoor.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fluiten , flèùte , sterk werkwoord , flèùte - floot - gefloote , fluiten; Int vurjaor flèùte de veugeltjes. MP gez. Flèùtende mèskes èn brullende koej zèn zèlde goej. (Br.Heem 38:204); Dialectenquête 1876 - fluiten (ui = eu van fr. Meuse); – hij flöt (in tegenwoordige tijd vocaalkrimping); – Dirk Boutkan: (blz. 40) verl. tijd flôot, maar: flotte gij?; Frans Verbunt: assie flöt dan liegt ie nòg ...; WBD III.4.1:48 'fluiten' - zingen (van vogels) ook: preken, slaan, slagen, slag; A.P. de Bont: zw. en st.ww intr. en tr. 'fluiten' l) op hoge toon janken (v.e. hond), 2) niet reppen van, niet verder vertellen; flôot; floot; - verleden tijd van 'flèùte'; flöt; fluit (2e, 3e pers. enkelvoud van 'flèùte'); Hij flöt hil den dag. Cees Robben:  as ie flöt dan liegt ie al; 2e + 3e pers.enk. van 'flèùte' met vocaalkrimping; Mandos, Brabantse Spreekwoorden: zit de voogel in de kooj, dan flöt de voogelèèr minder mooj (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1964) - gezegd van een getrouwde man.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal