elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: foefelen

foefelen , foefêln , moffelen, kapen, wegstoppen: “huifst nijt weg te foefeln doe molfert.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
foefelen , foefeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = rommelen, foefjes uithalen Ik verneme het wel, ie mut der mit foefeln (Hgv), Hij foefelt der wat met om speelt met trucjes (Zui), zie ook foegeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
foefelen , foewelen , liefkozen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
foefelen , foetele , vals spelen bedriegen, foefelen , Mi ’t kârte foetele ze nog al is ins. Bij het kaarten speelt men nog al eens vals.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
foefelen , foefele , werkwoord , vals spelen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal