elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haktol

haktol , hakdol , zelfstandig naamwoord , haktol. Jongens speelden met een hakdol of pindol die op een ijzeren pin draaide. Hij werd met een dunne leren pees die men om de tol wond aan het draaien gebracht. Als het “zetten”(laten draaien) mislukte moest de tol in een cirkel gelegd worden. De anderen probeerden die tollen te “bevrijden” door ze uit de kring te “hakken”. Ook probeerde men met de eigen tol op een andere, draaiende tol in te hakken. Het was een triomf als men hem kon splijten. Om dat te voorkomen werd de kop als een soort schild met pienèskes (punaises) verstevigd. Minder handige jongens die niet met de tol konden hakken, lieten hem onderhands draaien. Dit “piske trèkke”werd als minderwaardig beschouwd. Zie ook: drèèfdölleke.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
haktol , haktol , haktol , Meej'nen haktol moes'te perbiire um nen anderen tol in tweeje te hakke. Met een haktol moest je proberen om een andere tol in tweeën te hakken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
haktol , haktol , tol voor jongens rond de tol werd een touwtje strak van punt naar kop gewonden waarna de tol met de punt omhoog boven èrremus met een zwaai naar de gr
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
haktol , aktol , hakdol , zelfstandig naamwoord , priktol (West-Brabant); hakdol; priktol (kinderspeelgoed) (Tilburg en Midden-Brabant; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
haktol , hakdòl , zelfstandig naamwoord , "haktol, priktol; Mee in jaor of vier is ’t al wir aanders, dan worrut in autoped en norvenaant het seizoen n’en vlieger, kaaischeuten, drèf of hakdollen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)Anoniem – 1959 – ; en toen zeej de klène Kees: ""Vadder, ik heb naau wel unne hakdol; mar 'k heb gin stukske pees.""; (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie); H.A. Sterneberg S.J. –; Mijnen bromtol; Ielke tol hee eigen nommer / mer mijn bromtol nommer één. / Daor haolt niks bij mijnen brommer, / eikenhout en staolen teen! / Toen 'k hum straf haai upgewonden / en ik zwooi 'm zuiver nir / wier hi gauw alleen gevonden / zeg, waor bleven d'ullie wir!; Jo van Tilborg – Ok haktollen ging héél goed. Ge sloegt meej enne pees aon un stökske gebonden tegen enne tol, die ge irst meej oew haande liet draaien. Deur dieje tol elke keer goed te raoke meej dieje pees, blééf ie draaien. Al wô zonne tol, assie un te harde lel verkocht kréég, ôok wel ens deur un raom vliegen. Dè kwaam naa wir nie zoveul veur. (Kosset, 2006); WBD (III.3.2:72) hakdòl= priktol; WBD (III.3.2:81) hakdòl, drèèfdòl, drèèftòl, draajtòl = drijftol; S&S (Onder èèrddol - dwerg): Het lijkt ons voor de hand liggend aansluiting te zoeken bij dol in de betekenis van tol (soort kinderspeelgoed) Blz.17; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992) - 'hakdol' zelfstandig naamwoord- haktol"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal