elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hals

hals , hals , keel (soms ook wel kelle).
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
hals , hals , voor: keel; pijn in de hals hebben; ook Gron. Oostfr.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hals , hals , (mannelijk) , keel; den hals tôknîpen, de keel dichtknijpen; hals aover ooren, hals over kop.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hals , hals , keel; zeerte, of: pien in de hals hebben = pijn in de keel hebben; ook Drentsch, Friesch, Oostfriesch; ’t nijt deur de hals kennen kriegen = ’t niet lusten; de hals oetsnieden = de keel afsnijden; iemand iets op de hals of verbijden, ook: op hals en keel verbijden (Stad-Groningsch) = ten strengste verbieden; Friesch: It is my op hâls en kiel forbean (– op verbeurte van hals en keel). iemand iets an de hals hangen = een geheim toevertrouwen; meestal met nijt voorop, want het veronderstelt dat zoo iemand er mede te koop loopt, en ontleend aan de bellen die men de schapen aan den hals hangt, ’n goud gat in de hals hebben = hard kunnen zingen, schreeuwen, enz.; hij het mie de hals vōl logen = alles wat hij mij vertelde was gelogen; Friesch: Hy het my de hâls fol leagen. zit mie ’n kloet veur de hals = fig. eene stop voor de keel waarvoor ook:’n tolhek in de hals hebben; de hals is mie dreug; de hals zit mie dicht, enz.; hij (of: zij) rōkt, of: stinkt oet de hals = heeft een onzuiveren adem. Zegswijs: men ken hōm mit ’n metworst de hals oetsnieden = hij is een sul, een bloed; ’t met iemand an de hals kriegen = twist met hem krijgen; as ’t nog weer duste krigst ’t mit mie an hals (of: an de hals) = als gij ’t nog weer doet dan zal ik met u afrekenen. Zie ook: middelhoes, kou, en: verkomen.
söndagse hals = verkeerde keel. Zie: hals.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hals , hals , (mannelijk) , Dit woord hoort men vaak gebruiken voor keel of nek: ’n Stîven hals. Pîne in den hals (keel). Z(i)ee kon gîn kö̀pken koffî dör den hals krîgen; ’t wòl maor n(i)eet vot. H(i)ee hef ’n gräotjen in den hals.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
hals , halsje , (halsie) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zeker soort van brood, dat in een blikken trommel gebakken wordt, trommelbol (Zaandijk, Koog). || Geef mijn maar ʼen stuk van ʼet halsie, dan magge (moogt) jullie ʼet schootje wel opeten. – Ook: een zeer klein, min kindje. || ʼt Is zo’n halsie. – Vgl. Ned. hals, onnozele stumper (Ned. Wdb. V, 1668 vlg.). – Ook in Friesland is een krintehalske een in blikken vorm gebakken krentenbol (DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 1, 417).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hals , hals , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In verkl. halsie; vgl. halsje. – Zie een zegsw. op meid, en vgl. de samenst. voorhals, zwanehals, halshoep, halshout, lange-halsklamp, halsklos.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hals , hals* , zie ook kou * en verkomen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hals , hals , (mannelijk) , Dit woord hoort men vaak gebruiken voor keel of nek: ’n Stîven hals. Pîne in den hals (keel). Z(i)ee kon gîn kö̀pken koffî dö̂r den hals krîgen; ’t wòl maor n(i)eet vot. H(i)ee hef ’n gräotjen in den hals.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hals , dàlle , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , dàlln , dàllken , achterhoofd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hals , haals , zelfstandig naamwoord , haalze , hàelsken , hals, keelholte. t In n haals hebm, ’t in de keel hebben; eenn n eane in n haals hangn, iem. wat op de mouw spelden; klokn duur n haals, klokken door de keel; eenn aejt um n haals hangn, iem. aldoor tot last zijn; o’j de wea
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hals , hâls , m , stumperd Wá ’nen hâls Wat een stumperd.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hals , hals , haals, haols , halzen , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook haals (Noord-Drenthe, in Veenkoloniën ook uitgesproken als haols) = hals, keel Ik heb het in de haals, ik kan haost niet sloeken keelpijn (Eex), Doe het knoopie onder de hals ies dichte (Hol), Dat wicht hej aaid an de hals hangen is er altijd (Bei), Het duurde mar èven, toen haw de veldwachter an de hals bij ons (Zdw), Aj het aordig in de hals hebt, moej der een natte buusdook um doon met een dikke dasse (Hijk), ...een hoze um de hals doun (Bco), Ik kan het haost niet deur de hals kriegen de keel (Ass), Hij greep mij bij de hals (Mep), Hij hef hum de hals of esnene (Bro), ... de koe de hals oetsneden gedood (Sle), Det zal hum nog een keer de hals brèken de das omdoen (Ruw), Zie pakten mekaar um de hals ze omhelsden elkaar (Sle), Het was hum een slag um de hals kleinigheid, stelde voor hem niets voor (Schl), Toen ze heur kiend evunden har, vlèug ze heur um de hals (Ruw), Op hals en keel volholden dat e niet lug stug (Ass), Dat is hum op de hals schoven dat moet hij doen (Gie), Hai stek der mit kop en haals boven uut kop en schouder (Vtm), Dat kan hum de hals kosten (Hijk), Hij had hum haost um hals bracht vermoord (Ros), Hij is maal om haals kommen omgekomen (Row), Ik bin haals over kop vortkommen (Eev), As ik ’s mörgens kop over hals oet bedde stap, heb ik drekt last van misselijkheid (Exl), Hij kwam hals over kop onmiddellijk (Dro), Hie zit er tot an de hals toe in ook fig.: in financieel opzicht (Sle), Ik zit er tot an de haals tou vol van ik heb er genoeg van (Row), Ik hebbe mij mooi wat op de hals ehaald (Hgv), Ik zal die alles an de hals hangen! (Bco), ...in de hals hangen vertellen (ti), Het hangt mij de hals uut de keel uit (Klv), Hie hef een groot gat in de hals hij kan hard schreeuwen (Sle), Hie hef hiel wat an de hals, ...an de hals hangen veel zorgen of problemen (Oos), Der scheut mij een kloet in de hals, ..wat veur de hals ik raakte ontroerd (Sle), Hij lop altied met honger in de haals heeft altijd honger (Eev), Iene de schrik op de hals jaegen (Dwi) 2. op een hals gelijkend voorwerp De hals van een vaze (Eri), ...van een kruke (Wsv), ...van een viool (Klv), ...van een flezze (Erf), Die haver was liggen gaon, wij mussen het almaor tegen de hals mèeien (Bor), ...tegen de hals in meeien (Rol), ...under de hals mèeien tegen de ligging in (Man) 3. onnozele hals Wat een hals van een vent is dat een sufferd (Nije), Wat een domme hals (Rui), ...een grote hals persoon met vele ongunstige eigenschappen (Die), ...een onneuzele hals (Hoh), ...een goeie hals (Hgv) 4. halsgat De haals is te groot worden bijv. bij het breien van een trui (Gas), zie ook bij keel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hals , hals , dè’s unnen èèrmen hals, hij is te beklagen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hals , als , hals
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hals , hals , 1. sukkel, hals. Wat bin iej toch ’n grote hals! 2. keel. De hals deu mien zeer.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hals , hélske , sukkeltje , Wa is dé 'n hélske, kan niks, duu niks én wul niks, daor kun'de dus nie meej vrût. Wat is het een sukkeltje, kan niets, doet niets en wil niets, daar kun je dus niet mee vooruit.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hals , hals , haals , zelfstandig naamwoord , de; 1. hals 2. sukkel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hals , als , (zelfstandig naamwoord) , hals. Uitdr.: Zich iets op de als alen ‘zichzelf last berokkenen’. Zie ook: görgel, kèle, kèlewinkel, strotte.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hals , hèlske , zelfstandig naamwoord , sukkeltje (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hals , hals , (mannelijk) , hels , helske , 1. hals 2. onnozel iemand , Det zeen erm hels! Hals en nak braeke óm örges te kómme. Hals-uuever-kop. Zich get oppen hals hoeale.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal