elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: handig

handig , handig , hannig, hannîg , in: handig wichtien handige jong = jongen of meisje van p.m. twaalf tot veertien jaren: handig boerenplaosien = tamelijk groote boerderij. ook Gron. handege jong, handig wicht, ook: hennig; Oostfr. hennig, Wangeroog hentig = half volgroeid, tusschen kind en volwassene in. Zal zooveel zijn als: jongen, enz. die al wat heen is met de jaren; als dan is: handig, hannig, hentig eene verbast. van hennîg.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
handig , hendig , bijvoeglijk naamwoord , behendig.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
handig , hendîg , handig , wat gemakkelijk te hanteeren is, en dan = handsoam; Overijselsch hendig = gemakkelijk; ’k was nog moar ’n hendig, of: handig wicht = nog maar een jong meisje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
handig , hendig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Handig, wat zich gemakkelijk laat hanteeren, wie de handen nergens verkeerd voor staan. ’n Hendige jonge, ’n hendig bîltjen. Îts hendig dôn.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
handig , hendig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Handig, wat zich gemakkelijk laat hanteeren, wie de handen nergens verkeerd voor staan. ’n Hendige jonge, ’n hendige bîltjen. Ȋts hendig dôn.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
handig  , hendig , handig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
handig , heandig , handig, klein, gemakkelijk. ’n Heandig jöönchien: een aankomende jongen. Dät kiön i heandig perbeeren. Heandechies ån: langzamerhand
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
handig , hèndig , hèndeger, hendigstst , gemakkelijk, gemakkelijker, gemakkelijkst; behendig, handig.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
handig , hendig , handig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Behendig, handig. 2. Kwiek, rap, snel. | Hai was er handig bai. Ik hew ’t ’m handig, hendig ofleerd. Zegswijze handig en tandig weze, handig en gebekt zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
handig , hèndig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , handig, gemakkelijk. 1. Dè's ’n hèndig geritschap. Handig gereedschap. 2. Dè kan ik hèndig. Gemakkelijk. 3. Dieje vènt dè’s ginnen hèndige. Niet makkelijk in de omgang.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
handig , händig , handig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
handig , hènig , 1. rustig, kalm; 2. middelmatig (van afmeting); 3 hènig an: langzamerhand, rustig aan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
handig , handig , haandig, hendig , Ook haandig (Zuidwest-Drenthe), hendig (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. handig Het is een handig ventien, ik kan hum in de warkplaatse goed gebruken (Mep), Dat is haandig in het wark bijv. van een kledingstuk (Hgv), Dat wark dat stiet hum handig (Sle) 2. snel, vlot IJ moet er op reken dat e je angeven zal en dan zuj de plietsie handig veur je deur staon hebben (Eex), Dat hej handig veur mekaar kregen (Hijk), Hie was handig vertrökken (Sle), Die kan handig uut de weg komen, die zit niks in de wege (Klv) 3. klein en jong, nog niet volwassen Het is mor een handig kerelie (Row), Een handige jong is een jong zo tuschen de 12 en 16 jaor (Sle), ...12 - 13 joor (Bco), ...10 - 16 jaor (Klv), ...15 - 17 jaor (Hgv) etc., Het was een handig pinkien (Man), Het is nog maor zo’n handig ding, maor ze is goed bij de tied van klein meisje (Bor) 4. handzaam, gemakkelijk te hanteren Het waren van dei handige gorms, dei kunden ie gemakkelijk naor boven smieten (Bov), Het binnen nog mor handige dinkies (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
handig , hèndig , gemakkelijk. dè’s hèndig zat, dat is heel gemakkelijk. dè’s gennen hendige, daar ga je niet gauw mee lachen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
handig , ändig , handig. Gunninks woordenlijst van 1908: Ändig as een zak mit äspels ‘zeer onhandig’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
handig , hândeg , 1. rap, handig. Hie is hândeg met alle wârk. 2. gemakkelijk. Hie kan hândeg honderd jaor wordn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
handig , héndege , makkelijke , Dé zén héndege kénder, daor héd'de gin umkiike nô, die kunne goed alliin speule. Dat zijn makkelijke kinderen, je hebt er geen omkijken naar, die kunnen goed alleen spelen.
Vergrotende trap héndeger. Zóó gee'get héndeger, ge moet'tes kiike hoe d’n dieje dé duu, die kan'ner iet van. Zo gaat het makkelijker, je moet eens kijken hoe die man dat doet, die kan er iets van.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
handig , haandig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. handig 2. vlot en snel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
handig , hèndig , hèndig zat , gemakkelijk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
handig , hendig , hèndiger , makkelijk
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
handig , ändig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , handig. Uitdr.: IJ is zo ändig as een bos wottels ‘hij is erg onhandig’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
handig , hèndig , makkelijk, eenvoudig , Lówieke is ginnen hèndige. Louis is geen gemakkelijk persoon. , Dè’s hèndig. Dat is makkelijk.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
handig , hèndig , handig, aardig, flink , hij is erg hèndig, hij het twee rechterhaand. Hij het daor un hèndig meske opgedaon. Ut is nog een hèndig endje fietse.
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
handig , haandig , gemakkelijk, licht, eenvoudig (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
handig , hèndeg , bijvoeglijk naamwoord , gemakkelijk (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
handig , henjig , henjiger, henjigst , 1. handig 2. gemakkelijk 3. behoorlijk
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
handig , hèndeg , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , gemakkelijk, moeiteloos; Cees Robben – Die zô hendig trekt en jaogt.. [namelijk een handboog] (19560714); Cees Robben – Zô proper, zô hendig... (19570216); Frans Verbunt: men hèndege - een handig iemand; WBD III.1.4:5 'handig zijn' = iets beheersen; WBD III.1.4:27 'handig' = verstandig; WBD III.1.4:31 'handig'= vlug van begrip; WBD III.1.4:148 'handig' = bijdehand; WBD III.1.4:354 'handig' = gemakkelijk; Bosch hèndig - gemakkelijk: handig, handzaam; Jan Naaijkens, Dès Jan Naaijkens - Dè's Biks – - 1992 – ; (1992): hèndig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord - handig, gemakkelijk; De Bont: bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 'hendig’ - handig, gemakkelijk; C. Verhoeven: HANDIG (hèndig) bijvoeglijk naamwoord + bijwoord, nooit in de zin van 'bijdehand, maar altijd passief: 1. handzaam, gemakkelijk te hanteren; 2. gemakkelijk in de omgang, niet veeleisend; 3. het zich gemakkelijk makend, niet actief: ge zèt ok 'nen hèndige; 4. vlot,gemakkelijk,zonder moeite; dè kan ik hèndig. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HENDIG, HENDIGHEID - handig, handigheid. Hier vandaan: behendig. Z.a. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HENDIG - handig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
handig , hendig , handig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal