elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hannikbroek

hannikbroek , hannebroek , zelfstandig naamwoord , Vlaamse gaai. Prachtige roofzieke vogel (Sarullus) met fraaie blauwwitte zijdeveertjes. Wordt ook mirkol of mèrkol genoemd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
hannikbroek , hannekbroek , vlaamse gaai
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hannikbroek , annebroek , zelfstandig naamwoord , Vlaamse gaai (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hannikbroek , hannebroek , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen: gaai (Garrulus glandarius); Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): hannebroek zelfstandig naamwoord - Vlaamse gaai; De Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hanikbroek' Z.a. (blz.797); WBD III.4.1:148 broekhannek - gaai; WNT HANNEKE 4) verouderde benaming voor sommige vogels
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal