elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hans

Hans , Hans , mansnaam = Hans. Ook in Een luie Hans een luie kerel (Sle) Hans gap op gezegd tegen een jonge ekster die men wil voeren (wb) *Hans klomp, Hans klomp, Hans klomp / Zo naor de markt toougaon / Stun midden op de diek (2x) / En de botter veul in ’t sliek (Rol), zie ook hanska en Hannes
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Hans , hains , haisien , zelfstandig naamwoord , et; paard; vooral gebruikt als roepwoord voor een veulen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hans , [sukkel] , hans , mannetjeskonijn (ram)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hans , hans , zelfstandig naamwoord , mannelijk konijn (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
Hans , Twee Hanzen, de , Hans Kombrink (1946) en Hans Simons (1947) werden in 1994 namens de PvdA wethouder in Rotterdam. Zij voerden gezamenlijk campagne bij de gemeenteraadsverkiezingen. Naar analogie met het carnavalsduo De Twee Pinten kregen zij hun bijnaam. Simons bleef tot 2001 wethouder, Kombrink tot 2004
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal