elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hapschaar

hapschaar , hapscheer , (met klemtoon op hap) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Rare vent; minachtende benaming voor een manspersoon. || Ik loop daar allenig te wandelen en daar komt zo’n hapscheer na me toe. Pas maar op as je in ʼen logement benne; je weet maar niet wat voor hapscheer der bij je zitten komt. – De eigenlijke betekenis van het woord schijnt te zijn gerechtsdienaar; vgl. Fra. happe-chair. Behalve in de zin van justitie en van diender, dievenleider, kent VAN DALE het echter ook voor vrek, inhalige kerel. In de omstreken van Deventer wordt hapschere gebezigd van een vrouw, die een grote mond openzet en allerlei wartaal uitslaat. Het woord is in de 17de e. zeer gebruikelijk. Vgl. b.v.: Gy zult hangen, schurk: messieurs die dezerteeren, en paerden steelen, moet de hapschaer klimmen leeren. LANGENDIJK, Gedichten II, 213. De Meyt van Jems de Hapscheer, BURGHOORN, Kluchthoofdige Snorrepypen (a° 1644), 7. Maar waarom heeft hy me dan verrast? Die Hapscheer moest my waarschouwen, VAN DER HOEVEN, De Waarzegster (ed. 1715), 83. – Vgl. verhapscheren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hapschaar , hapscheere , hapschieere , Grootbek. Wat ’n hapsch(i)eere van ’n wîf is dat!
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hapschaar , hapscheere , vrouwelijk , ook: hapschuättel, hapschaar, feeks, iemand die een grote mond opzet.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hapschaar , hapskeare , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , bijdehand persoon, brutale vrouw
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hapschaar , hapschere , goed gebekt persoon.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
hapschaar , hapschere , bij de hand, bazig vrouwspersoon.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hapschaar , hapscheere , babbelzieke vrouw. Zo’n hapschere van ’n wief van alles hef ze wat te zeggn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hapschaar , hapschaer , zelfstandig naamwoord , hapschaere , hapschaertie , brutaal mens Bazege, onstrante, vinnege en venijnegen hapschaer Bazig, ondeugend, vinnig, venijnig en brutaal mens Ook haerrêêp, harêêp
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hapschaar , [pinnige vrouw] , hapschere , pinnige, snibbige vrouw (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hapschaar , apsjaar , zelfstandig naamwoord , vreemde snoeshaan (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal