elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hartelijk

hartelijk , [vriendelijk, hartig] , hartelik , hatelik , (bijvoeglijk naamwoord) , hartig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hartelijk , hartêlk , (hartelijk) = eenigszins sterk gezouten of gekruid, tegengestelde van laf, smakeloos; bij v. Dale hartig, Oostfriesch hartelk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hartelijk , hättelijk , hartig, pittig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
hartelijk , hartelijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. hartelijk Wij bint daor hartelijk ontvangen (Zey), Daor bint ze ok niet slim hartelijk (Sle), Ik bedaanke oe hartelijk veur het mooi kedo (Ruw), Ie wordt hartelijk bedaankt ook ironisch bedoeld (Eli) 2. hartig Het eten was aordig hartelijk (Row), zie ook hartig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hartelijk , ättelijk , hartelijk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hartelijk , hârtelek , 1. hartig. ’t Èètn was aoreg hârtelek. 2. hartelijk. Iej wordt daor altijd hârtelek ontvangn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hartelijk , hattelik , hatlik, hattig , bijvoeglijk naamwoord , 1. vriendelijk, warm, hartelijk 2. hartig, enigszins zout, te sterk gezouten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hartelijk , hartelek , bijvoeglijk naamwoord , hartig, enigszins zout Nog niete zout maor toch hartelek Nog niet te zout maar toch hartig
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hartelijk , ärtelijk , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , hartelijk, warm. Een ärtelijke vrouwe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hartelijk , hartelek , artelek , bijvoeglijk naamwoord , hartig (Helmond en Peelland); artelek; hartig (West-Brabant
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hartelijk , hertelik , herteliker, hertelikst , 1. hartelijk 2. hartig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hartelijk , hartelek , bijvoeglijk naamwoord , "hartig [bij vergissing uit ‘hartelijk’]; Cees Robben –  ’n bammeke mee ’n harteluk stukske vorse worst... (19840615); Handschrift Daamen 1916: ""hartelik - in plaats van hartig (krachtig, zout)""; Bosch hartelek - kruidig van smaak, hartig (zout)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hartelijk , hártelik , hartelijk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal