elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haspelen

haspelen , haspêln , in de zegswijs: zij spint loapgoaren en haspelt ’t mit de hakken = zij loopt vaak van haar werk af en richt zoodoende weinig of niets uit, verbeuzelt den tijd met heen en weer loopen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
haspelen , häspelen , haspelen, onhandig doen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
haspelen , haspele , werkwoord , Ook: kibbelen, ruziën.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
haspelen , hâspele , hâmpele.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
haspelen , haspeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. op een haspel winden Bie haspeln was vieftig maol rond een knap (Bov), Het haandigt hum as een mot het haspeln helemaal niet (Hgv) of Het steet hum as een motte het haspeln (dva), Dat stro is zo dreug, dat wordt allemaol in mot haspeld door de haspel op de zelfbinder (Anl) 2. door elkaar halen, knoeien, prutsen Blief van det gaoren of, haspel mij de boel niet deur mekaar (Ruw), Wat zit ie te haspeln met het brèeiwark knoeien (Bui), Hij haspelt wel zo lange, tot ie het veur mekaer krig (Die) 3. kibbelen Lig toch niet al te haspeln tegen mekaar (Klv), Ze zitten aal tegen ’nkanner an te haspeln (Row) 4. met moeite iets klaar krijgen of vooruit komen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Hie möt der tegen haspeln um de centen bij mekaar te kriegen (Sle), Hie kent der nog niet veul van, hie haspelt der aordig over bij het schaatsen (Eex), Mörgenmiddag zuw dat even veur mekaar haspeln min of meer provisorisch maken (Sle) 5. moeilijk uit de woorden komen, onsamenhangend of stotterend praten (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Hol non mor ies op te haspeln en proot ies gewoon (Sle), Noou begunt e te haspeln, hie wet niet meer hoou of e het zeggen mot (Eex) *Mien mouder wol haspeln en het rad wol nich gaon / Mien mouder wol haspeln en de knap wol nich slaon (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
haspelen , [moeizaam werken] , haspelen , moeizaam werken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
haspelen , äspelen , haspelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
haspelen , haspeln , tobben, prutsen. Wat gaoj der toch haspeln, ’t is net of iej der nog nooit eerder ewârk heb.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
haspelen , haspelde , struikelde , Ik zéij me daor toch nèrgekwakt, ik haspelde oover diejen horst ónder die bóóm. Ik ben me daar toch gevallen, ik struikelde over die verhoging onder die boom.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
haspelen , haspelen , werkwoord , 1. verward vertellen 2. kibbelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
haspelen , haspele , moeizaam werken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
haspelen , haspelen , 1. zeuren, tobben; 2. knoeien (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
haspelen , haspele , werkwoord , struikelen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal