elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hauw

hauw , houw , schil of bast van boomen, erwten en andere peulen. Oudtijds schreef men haude en houde voor rok, schil, pel.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hauw , hauwkes , v , peultjes.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hauw , hauwkes , peulachtige vrucht.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hauw , hóúwkes , peulen (jonge erwt)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hauw , hâwkes , peultjes , Doew goewd de drèùjkes van de hâwkes af. Haal goed de draadjes van de peultjes af.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hauw , haauw , peul, schil van erwten
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
hauw , haawkes , hauwe, hauwkes , zelfstandig naamwoord, meervoud , peultjes (Tilburg en Midden-Brabant); hauwe; erwten- en bonenschillen (Land van Cuijk); hauwkes; peultjes (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hauw , haawke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , "peultje, peulerwt, 'sèùkerèrt', 'pultje', peul; WBD III.2.3:81 'hauwke' = peulerwt; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOUW, HOUWKEN - peul, peultie. Kiliaen: 'houde', Plantijn: 'Houwe'. De Bont: hö.u, zelfstandig naamwoord vr. ""houw', 'hauw' - peul; verkleinwoord 'höwke(n)'; Bosch hauwkes - peultjes"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal