elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hebbelijk

hebbelijk , [hebzuchtig] , hebbelijk , voor hebzuchtig.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hebbelijk , hebbelijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = goed te gebruiken Dat is een hebbelijk persoon (Gro), Dat enter is arg hebbelijk (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hebbelijk , ebbelijk , 1. geschikt; 2. wellevend; 3. er goed uitziend (meestal van dieren (Kampereiland, Kamperveen)). Gunninks woordenlijst van 1908: Een ebbelijk bîêsien ‘een mooie koe’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hebbelijk , hébbelek , inhalig , Ge moet nie zó hébbelek zén én iet vur d'ander oover laote, héd'de dé begreepe? Je moet niet zo inhalig zijn en iets voor de anderen overlaten, heb je dat begrepen?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hebbelijk , hebbelik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. voor rede vatbaar, meegaand 2. netjes, niet rommelig 3. alles willende hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hebbelijk , hebbelek , bijvoeglijk naamwoord , inhalig (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal