elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hebben

hebben , haddeme? , hasse?, heit, haddi? , Hadden wy?; hasse?, Had zy?; heit, Heeft; haddi?, Had hy?
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
hebben , hebben , (hedde) Zich wel hebben is hetzelfde als gezond zijn, zich wel bevinden, zich goed houden. Zie dat woord. Het is echter slechts in de praattaal
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hebben , heit , is een platte vorm voor heeft. Ook Huygens gebruikt dien. Zie b.v. in Bilderdijks uitgave I, bl. 139. [Aanvulling J. van Lennep: voor heeft hoort men ten platten lande; - in de steden, zelfs onder beschaafde lieden, veelal het. Opmerkelijk is het, dat men onder de min beschaafden doorgaans hoort: ik heef.]
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
hebben , hebben , hebben = zijn; heb = voor: hebben, als dit voorop gaat, in ’t meerv.: heb heb wie, enz.; ook Gron. Hebt = hebben, 3 pers. meerv.: ze hebt = zij hebben. Hef = heeft; heft = heeft; heeft, ook Overijs.: “dee hef veur jaoren reis oppe neuze vallen.” Hei’ = hebt gij; hebt gij; ook Gron. Oostfr. hei jê. He’k = heb ik; Gron. he’k, heb’k. Heste = hebt gij, ook Gron.; eigenlijk = hest doe, HD. hast du. Hew’ = hebben wij. Gron. hewwi, hebwie. Hadde = was; hij hadde ziek west = hij was ziek geweest; over de tied dat ie ziek west hadd’; hadd’ kommen = was gekomen. Dr. Landr. (1608) art. 7: in dienst geweest hebbende. Ook in Gron.: ik heb zijk west; ik heb an ’t zwemmen, eten, arbaiden, enz. west. hai = had gij, en gij had; hâan = hadden; ha’j’ = had gij, en gij had;(ook Gron.); en den ha’j’ Izak Flinter = daar was ook, daar hadden wij ook, enz. Ha’k = had ik; dat ha’k zegd; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hebben , hebben , (zwak werkwoord) , hebben, gedragen; hebt uw der nao, gedraag je er naar; hé hef zik der nao.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hebben , inhebben , hij (of: zij) het ʼt doar in = hij het ʼt riek doar in = geniet daar het volle vertrouwen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hebben , hebbens , hebbent, hebben , bezitting, eigendom; zien hijle (of: ganse) hebbens = al wat hij bezit, indien dat nl. weinig beteekent; dit is mien hijle hebbens = dit weinige is al wat ik bezit, bv. al mijn zakgeld. Kil. hebbinghe (vet.) = bezit, lijfstoebehoor. Vgl. ’t Hoogduitsche die Habe = al wat men bezit, het vermogen, alsook: have en v. Dale art. hebben.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hebben , hebben , hemmên, hemm’ , Op het Hoogeland luidt dit woord door gebrekkige en snelle uitspraak als: hemmên, hemm’, hem’, zelfs als: hammên, hamm’, en ziet men het niet zelden ook aldus (natuurlijk als provincialisme) geschreven. – dat wō’k óok hebben = dan zijn wij het eens, dan denkt gij er, wat ik zeer natuurlijk vind, over als ik; zij mouten hom hebben = hebben ’t op hōm verzijn = fig.: zij zoeken hem. – Bij de vervoeging neemt men dikwijls: hebben, voor: zijn: ik heb d’r nooit west = ik ben er nooit geweest; ik heb te wark west om ’n peerd te koopen = ik ben bezig geweest, enz.; “van ’t oogenblik da’k jonk west heb” = van ’t oogenblik dat ik geboren ben, zoo lang ik leef; “Voaders voader har knecht west op IJkenstijn” = vaders vader was knecht geweest op Ekenstein; “wie hemmen van mörgen doarover nijt oetpraat” = wij zijn daarover van morgen niet uitgepraat; ik heb ’t nijt begund = ik ben er niet mee begonnen; “wat zel dat olle mensk kel worren hebben!” = wat zal die oude vrouw verschrikt geworden zijn; “dou ’k lest zoo kepot west heb” = toen ik onlangs zoo ziek geweest ben; ik heb an ’t swemmen, hardroaven, eten, reken, enz. west. – Vondel: Of ’t mooghlijck had geweest, de Haerelemmerpoort met dooden te verkroppen. – Sara Burgerh. p. 342: Waarom hebt gij gisteren niet bij ons geweest? Drentsch hadd’ ’t west = was geweest; hadd kommen = was gekomen, enz. Vgl. in dezen het Fransch en Engelsch. – De vervoeging luidt: ik heb, doe hest, hij het; wie, ie, zij hebben; ik har, doe harst, hij har; wie, ie, zij harren; ik heb had, doe hest had, hij het had; wie, ie, zij hebben had; ik har had, doe harst had, hij har had; wie, ie, zij harren had. – hest, heste (enkelvoud); hei, heie (meervoud) = hebt gij? Drentsch, Overijselsch hef = heb, en: heeft; Oostfriesch hebb, hef = heeft; heft = hebt; hett = heeft; hei jî = hebt gij?; har = had; harst = gij hadt; hewwi = hebben wij. Vgl. het Hoogduitsche ich habe, du hast, er hat.
voor: gedragen; doar kenstíe noa hebben = daar kunt, of: zult gij u naar gedragen. Oudtijds: zich hebben = zich gedragen. Oostfriesch du must dî dârna hebben. Vgl. ’t Hoogduitsche sich haben, alsmede: onhebbelijk.
verdragen, dulden, uitstaan, velen; ik ken ’t nijt goud hebben (met den klemtoon) dat ’e mie hijlendal verget = ik kan ’t niet goed velen dat hij mij geheel vergeet; hij ken nijt veul hebben = hij kan niet veel wijn of sterken drank verdragen; dat ken ik nijt hebben = die spijs (of drank) bekomt mij niet goed. ’n older ken ’t nijt hebben dat de kinder heur (of: zōk) zon anstellen; hij (of: zij) is wel te hebben = wij kunnen best met hem overweg, (bv. als kostganger).
meenen, oordeelen; dat wōl ’k ook hebben = zoo moest het zijn, dan zijn wij het eens, gij zoudt er toch ook wel niet anders over kunnen denken.
voor: beet hebben, in: wat hestoe mie had! = wat ben ik leelijk door u gefopt, of: teleurgesteld. Zie ook onder art. achterrad, alsmede: hebbens.
hemmên, hemm’ (Marne, enz.) = hebben; Noord-Brabant hemme, hem, Zuid-Nederlandsch hem.
heb, voor: hebben (1e persoon meervoud), als dit hulpwerkwoord in den vragenden of in den verhalenden vorm voorop gaat; heb wie tied genōg? heb wie geld bie joe te goude? heb wie joe dat nijt genōg zegd? dat heb wie nijt wijten; doar heb wie nijt an docht; mörgen heb wie zöndag; ook Drentsch. (Dit behoort tot den regel: wordt een werkwoord door het persoonlijk voornaamwoord wie (wij) gevolgd, dan staat het in ’t enkelvoud.)
, voor: heb; ’k hè = ik heb (Stad-Groningsch)
hef (Westerwolde) = heeft; ook Drentsch, Overijselsch.
het = heeft, en ook wel voor: is; ’t het regend = het heeft geregend; hij het geld; hij het ’t zegd = hij heeft het gezegd; hij het op rais west; hij het van stad of loopen (naar hier); wijst wel wel hier west het? = weet gij wel wie hier geweest is? de regenbak het overloopen; – het hi waor vallen (Swaagm.) = is hij misschien gevallen? het = heeft ook Noord-Brabant, Friesch, Oostfriesch, Nedersaksisch, Westfaalsch, Noordfriesch, Oudfriesch; Hoogduitsch hat. Bij Bredero o.a.: “Al het mijn man in zijn jeucht enreys een huys oppebroken”; – “wel wat duyvel het hij te seggen van mijn jongste Broer?” Ook bij Sara Burgerh. o.a. p. 58.
’t het (= het heeft), voor: er is, in: ’t het liedt = er is geluid.
he’k = heb ik; dat he’k lezen woararns = dat heb ik ergens gelezen; ook Drentsch.
heste, hes’z, hezze = hebt gij, Drentsch heste; eigenlijk: hestoe = hest doe, Hoogduitsch hast du.
hei, hei’j, heie, heije (= heb ie) = hebt gij; ook: hebben wij, en: heeft men; hei hōm ook zijn? = hebt gij (bv.) den koning ook gezien? “ien harbarg heije doar deur al dei snoaken vrij wat meer verdivendoatsie”; doar hei ’t al! = daar hebben wij het al, juist zoo als wij verwacht hadden; altijd in ongunstigen zin; wat hei’ d’r an? = wat heeft men er aan? heie van joen leven! uitroep van verbazing. – dat hei al lezen, heurd, doan, enz. = dat hebben wij al gelezen, gehoord,gedaan, enz. (Hoogeland) Zegswijs: hei wel zijn van loopen! = wat liep hij (of: zij) hard! Ook ironisch, zooveel als: loop je niet zoo heb je niet. Drentsch hei, Zeeland ‘eije, Oostfriesch hei; uit: , voor: heb, en: ie, jie samengetrokken. Vgl. hai, en: wō’j; zie: hij 2.
het’e = heeft hij; ook = is hij; Noord-Brabant hettie = heeft hij. Zie: é.
hettêt? = hetët? = heeft hij het? hettêt al kregen? = heeft hij het reeds ontvangen? hettê tal op? heeft hij het al op (gegeten)? Uit het’e = heeft hij, en: ’t = het, en ingevoegde t.
hewwe, hèwe = hebben wij; “Ousters genog te vangen. Wie hadden disse rais bult kregen, moar mien knecht het wat oet odder west. In de leste drij week hewwe nog negendoezend vangen.” (Zoutkamp 1828); “nou hewwe ook gijn last meer van zien zoepen.” (Fivelgoo).
har = had. IJnmoal ijs har hij der west” = hij was er eens geweest. Oostfriesch harr’, Overijselsch har, Mecklenburgsch harr. Vgl. ber.
harren = hadden; ook voor: waren. Zie: harden.
ha’k = had ik; ook Drentsch; dat ha’k nooit wijten = dat was mij niet bekend; ha’k ’t moar doan! = had ik het maar gedaan!
hast, haste = harst (Veenkoloniën) = hadt gij, en: gij hadt; dat hast verdijnd; hast ’t nooit mouten betoalen. Friesch hiest.
hai, háj = hadt gij; hai dat docht? = hadt gij dat kunnen denken? doar hai ’t goande! daar gingen de poppen aan den dans, daar was de beer los! – Ook voor: hadden wij, had men; doar hai ook oapen en beren = daar waren ook, enz; doar hai ook joen voader = daar was o.a. ook uw vader; ook Drentsch.
hàwê (had we), samengetrokken uit: hadden wie = hadden we, hadden wij; dou hàwê gijn tied meer = toen hadden wij geen tijd meer; hàwê dou moar regen kregen!
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hebben , hebben , (onregelmatig werkwoord) , Vervoeging: Tegenw. tijd, ik heb, hew, je hebbe, hewwe (en hew-je, hej-je), hij heb, het, we hebbe, hewwe, jollie hebbe, hewwe, ze hebbe, hewwe. Verl. tijd, ik had, je hadde, hij had (te Assendelft bij oude mensen ook ʼedde, d.i. hedde), we, jollie, ze hadde. Verl. deelw. ehad of ʼhad. Onbep. wijs. hebbe, hewwe. – Als hulpwerkwoord wordt hebben gebruikt bij enkele werkwoorden, die in de algemene taal vervoegd worden met zijn, nl. zijn, blijven, gaan, komen. || Ik heb bij Jan ʼeweest. ʼt Heb erge mooi ʼeweest. Ik zou wel ʼebleven hebben, maar ik kon onmogelijk. Heb-je gaan betalen? Had ze wat vroeger ʼekomme, dan had ze alles ʼezien. Evenzo in de Middeleeuwen en 17de e.; zie Mnl. Wdb. III, 201; VAN HELTEN, Vondelʼs Taal, § 60. – Zie een zegsw. op aars en vgl. haddekes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hebben , hebben* , vgl. Hoogduitsch sich gehaben = zich gedragen en het Nederlandsch: onhebbelijk.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hebben , hemʼ , zie hebben * (bldz. 524.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hebben  , hatte , had hij.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hebben , hebben , har, ehat; ik hebbe, dů hest, hei hef, wi, i, zei hebt; ik harre, dů haist, hei har, wi, i, zei hadd , Har i et der ok wier: ben jij daar ook weer. Hei hef ne dochter vån Graads: hij is getrouwd met een dochter van Graads. Zich weeten te hebben en te hoolden: zich een houding kunnen geven. Hei hef zich goud: hij maakt het goed.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hebben , hebben , onzijdig zelfstandig naamwoord , Eimaonds hebben en hoolden: al zijn bezit
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hebben , hebm , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: hebbe, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: h , 1 hulpww, ook bij “wean”, 2 ww. hebben, 3 wed. iets voor elkaar maken. Zik rap hebm, iets vlug doen; zik hebm, zich iets te doen maken; t hebm met, last hebben van; t nog wal an de hoed wiln hebm, wel willen; in hebm, te
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hebben , hán , hadden Wéj hán Wij hadden. [Mill]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hebben , kebm , ik heb hem. Uiterst voorbeeld van woordsamentrekking
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hebben , hewwe , heuwe, heefte , werkwoord , Hebben. De vervoeging toont nogal wat varianten. Vgl. ik hew/heb, jij hewwe, hai het/heb, wai hewwe. Omgekeerde woordschikking: hew/heb ik, hè/hei je, het/heb ie, hew(we) we? De vormen van de verl. tijd zijn ‘had(de)’ en het voltooid deelwoord is ‘had’. Zegswijze dat hét er niet van, dat lijkt er niet op, dat is geen manier van doen. – Dat het er veul van, dat lijkt er sterk op. | Hai het veul van z’n vader, hij lijkt erg op zijn vader. – Wat hei jij had? Wat heb jij gekregen? – Die het toch ók, die heeft toch ook een lot, maakt veel narigheid mee. – Ik had ’t gien meer, ik wist niet meer hoe ik het had (van het lachen, van angst, e.d.) – Z’n oigen d’r mee hewwe, zichzelf duperen; voltooid deelwoord had, in de zegswijze had is ’n arm man. 1. Aan wat je eens had of bezat, heb je nu niets meer. 2. Aan wat je had kúnnen bezitten, heb je nu niets. – ’t Had hewwe, er geweest zijn, dood of kapot zijn. – Die het wél hád, die heeft veel ellende meegemaakt. Variant heefte, in de zegswijze ik moet niet heefte, ik moet er niets van hebben, mij niet gezien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hebben , harrege mèr , had je maar!
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hebben , hérrege , hebt gij? (vragende beleefdheidsvorm).
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hebben , hebben , Kreet van de meesterknecht, ten teken dat de brandersknechten een borrel konden komen halen. Deze was door de meesterknecht meestal lekkerder gemaakt door een eigen kruidenmengsel er aan toe te voegen. De knechten dronken uit een glaasje zonder voet. Menig bezoeker zorgde op dit moment 'toevallig' aanwezig te zijn.
Bron: Feelders, Paul (1991), ‘Van gistkladder en ouwetijer. Iets over het Schiedamse dialect’, in: Scyedam, het blad van de historische vereniging 17, 4-12
hebben , hèbbe , werkwoord , hebben. Enkele zegswijzen: D’èèrepel öthèbbe. D’n hof omhèbbe. Gehad is lillek. Ik hagget nie mir. De koffie öthèbbe. Als men iets na enige moeite te pakken krijgt roept men triomfantelijk: Hèbbes!
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
hebben , hem , hebben , had, ehad , hebben; hef heeft (ww).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hebben , hebben , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. hebben Hest dien trippen al schuurd? (Nsch), (...) en toen houw het laand escheurd hebben wij (Ker), Ik heb het niks op dat weer ben er niet gek op (Bov), Hie wil ok wat van het levend hebben (Sle), In de zommer moj niet teveul an hebben teveel kleding (Bco), Wij hebt het nog niet zo wied, wij bint er nog niet klaor veur (Sle), Daor hej niks an, een hondtien dat niet blaft een zaak die niets oplevert (Hgv), Wil e niet wat op hebben? iets op zijn hoofd (Pdh), Wij geeft naor wij hebt bezitten (Dro), Ik wil der ok wat an hebben, ans dan doe ik dat niet voordeel van hebben (Klv), Hij hef het op de börst ademt zwaar (Bov), (zelfst.) Met het hiele hebben en hoolden is e weggaon (Pdh), Daor hef e zuk met had zich vergaloppeerd of pech mee gehad (Sle), Daor heb ik het uut uit dat boek heb ik dat (Erf), Wat hej nao als nagerecht (Hijk), Wij hadden ’t der niks op, daor in het duustern langs te gaon waren er niet op gesteld (Oos), As hie dat niet wil, dan hej het er van had, dan huuft e ok gien mond mèer lös te doen dan is het afgelopen (Sle), Door heb ik het nich zo dik op houd ik niet zo van (Bov), Ik wus niet, wat ik er an har wat ik ervan moest denken (Bco), Hoe hej dat zo had? hoe kwam dat zo (Man), Ik heb het ies had dat het zo glad was, datte wij sokken over de schoenen deden meegemaakt (Hgv), ...in 1929 had dat mij de oren bevreuren, toen ik van de meid kwam (Ndo), Wij hebt niks met ze had geen ruzie met hen gehad (Pdh), Hier hest mij ok hier ben ik (Sle), Dat hej der an heb je verspeeld (Bov), Hoe has doe ’t der mit hoe gaat het (Nsch), zo ook Hoe hej ’t hier nog mit mekaar (Klv), Hoe hej het nog, kuj der nog wat tegen de leste tied? (Wsv), Hoe heb ik het nou mit oe jong, traonen mit tuten? wat beleef ik nu met je (Hgv), Hoe hej het noou? wat is je nu toch overkomen? (Eex), Hij het de akker half om voor de helft geploegd of gespit (Een), Hebt zie de rogge al bij? ingehaald (Bal), Hij hef het wark erop is klaar (Uff), Ik kan het mis hebben, mor volgens mij lög e (Emm), Ik heb het oet mijn verkering is uit (Sle), Dat mag ik der wal van hebben zoveel geld zou ik er eigenlijk wel voor moeten hebben (Sle), Wordt der nog an verdiend? Nee, wij hebt der niks met krijgen er niets van (Klv), Daor kuj twie langen, twie brieden over praoten, mar daor hej niks met win je niets mee (Oos), Maakt oe toch niet kwaod, daor hej niks an (Hgv) 2. (als hulpww.) zijn As ik der niet west hadde, dan had der niks van H10411terechtkommen was geweest (Sle), Hai het zaik west (Vtm), Het hef al veer week west en nog is der gien bericht het is al vier weken geleden (Sle) 3. gedragen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie wet wal aordig goed hoe e zuk hebben en holden möt (Sle) 4. krijgen Volgens de radio zuw snei hebben (Flu), Ik zul nog pootboonties hebben (Vle), Ik zul nog wat had hebben, mor ik heb niks kregen (Eel), Ik zal die nog wol een keer hebben een keer te grazen nemen (Ros), Wij moet de buren nog een aovend hebben op visite (Sti), Hoe giet het mit de oldste zeune? O, best, wij hebt ze zundag nog had op bezoek gehad (Zdw), Wij zult ze morgen hebben op visite krijgen (Mep), Zie gaot mörgen een dag oet en dan zul wij de kinder hebben (Eex) 6. doen (Midden-Drenthe) Hoou moew dat eigelk hebben? Wij kunt de kinder toch niet allennig in hoes laoten (Eex) 7. aankunnen Met scheuveln mös do hum wal kunnen hebben (Pdh), Hie kan dat wief wel hebben, paartie gaot der aans veur op de loop (Eex), Wij wassen nog wel ies an het vechten, maor ik kun hum nooit hebben kon hem niet aan (Pei), Ik kan hum wel hebben heur, op de nochtern mage nog wel (Hgv) 8. er om spannen Het zal der dunkt mij an hebben of die jasse hum past (Die), Misschien dat ik het red, mor het zal der an hebben (Gas), ’t Zal der an hebben daw de briefies veur haf elf klaorhebt nl. de woordenboekfiches (Hoh), Of het wel gooud komp, ik weet het niet, dat hef der wel zoveul an (Eex) 9. verdragen Hij kan nog niet hebben dat je hum met ’n naald in de ogen prikken kan niet tegen gekheid (Klv), Hij kan nog nich veul vet hebben (Bco), Spek kan ik niet hebben, want dan speult mij de gal op (Odo), Jaan kan wel tien borrels hebben zunder dat e doen wordt (Eex) 10. volhouden Bij de warme kachel kuj het nog op ’n besten hebben (Dal), Wij kriegt net een zeupie, dat wij kunt het hier nog wel even hebben (Eev), Wij hebt het wal drok, mor wij kunt het wal hebben (Sle), J. kan het op zien neie plaetse best hebben (Die) *Hebben is hebben en kriegen is de keunst (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hebben , hebben , hebben. (heb, hè’k, hi, hèt, hemmen, hedde, haj, ha'k, haik, hàdde, haide, hagget, hajjen, hân, gehad). da hè’k, dat heb ik. hedde ’t gedaon?, heb je het gedaan? we hemmen ’t genog, wij hebben genoeg. ha’k ’t mar gedaon, had ik het maar gedaan. da ha’k in munne kop hangen, dat meende ik toch echt. haide gij geheurd wà’k zèn?, had je gehoord wat ik zei? we hân getijt um te kòmme, we waren van plan (we hadden het plan) om te komen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hebben , ebben , ik eb, ie ebben, ij ef, ij ad, adden, e-ad , hebben
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hebben , hebbm , ik heb / had; iej heb / hadn; hie hef / had; wie heb / hadn; zie heb / hadn , hebben. Hej dat wel edaon? Hek ’t oe niet ezeg? Hew ’m eerder ezeen?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hebben , hébbe , heb je wat , Zó ge’t môkt, zóó héd’det. Zo je het maakt, zo heb je het. Je moet je eigen lot bepalen.
Méérege hit'tie wir érdbeejzie zat zeej, és'ger wult hébbe dan gôt'ter mér hènne. Morgen heeft hij weer aardbeien genoeg zei hij, als je er wil hebben dan ga er maar heen.
Héd’de wa dan zéd’de wa, héd’de niks dan zéd’de niks. Heb je wat dan ben je wat, heb je niets dan ben je niets. Iemand zonder geld telt niet mee.
Héd’de niks vur ónze Jan... want die mag niks hébbe. Heb je niets voor onze Jan... want die mag niets hebben. Wat moet ik hem toch geven.
Hoe hôd'det gàère gehad wulle hébbe, dun, dik of dur 'n duukske? Hoe had je het graag gehad willen hebben, dun, dik of door een doekje? Vraag aan iemand met nogal wat noten op zijn zang.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hebben , hebben , werkwoord, zelfstandig naamwoord , 1. hebben 2. kunnen verdragen, kunnen volhouden, bijv. Kuj’t nog wat hebben? gaat het nog een beetje goed met je 3. evenaren en voorbijstreven, sterker zijn dan, bij bijv. schaatsen, teamsport, vechten, bijv. Die ploeg kun we wel hebben 4. dragen (als kleding), als bedekking hebben, bijv. Hi’j het haost gien kleren om ’t gat 5. erom spannen, wellicht niet lukken, in d’r an hebben: ’t Zal d’r an hebben dat de bus op ’e tied is, ’k Heb d’r wel an ik weet het niet precies 6. willen hebben, gewenst zijn, bijv. ’k Heb liever niet daj’ hier weer kommen, et; in et (hiele) hebben en holen het totale bezit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hebben , hebbe , werkwoord , heb, had, gehad , hebben Hamme nou maor een bôôtjie dan waere me zôô over Hadden we nu maar een bootje dan waren we gauw aan de overkant Het hait er veul van weg dat Het lijkt er veel op dat Die hait ôk nie veul voor ’t gat te binge Die kan niet veel ondernemen Den oorlog het ôñs uitte crisis gehaold De oorlog heeft ons uit de crisis gehaald Hemme dat woord al? Hebben we dat woord al? We hebben ‘m al jaere nie gezien We hebben hem al jaren niet gezien Wat hettie daerover gezaaid? Wat heeft hij daarover gezegd?; Veul van weg hebbe Erg lijken op ’t Heb t’r veul van weg damme weer meer motte gaon betaole Het lijkt er erg op dat we weer meer moeten gaan betalen; Wel hek van m’n leve! Wel heb ik van mijn leven! (uitroep van verbazing); Hij hè weer wat 1. Hij heeft weer wat (gezegd van iemand die steeds iets naar voren wil brengen) 2. Hij heeft een (veelal ernstige) ziekte; Ik heb nog niks gehad Ik heb nog niets ontvangen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hebben , hebbe , hemme , he’k, hek’t hedde, hebbe we, , hebben, he’k, hek’t (heb ik (‘t)), hedde (heb je), hebbe we, hen we, hemme, hennoe (hebben we),
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hebben , hadde , hè’k; hè'k 'r; hedde; hit , had je; hè’k (heb ik); hè'k 'r (heb ik er ); hedde (heb je); hit iemes (heeft iemand); hit’r (heeft er); hig’t Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
hebben , wà han , wat hadden
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
hebben , ebben , (em-m) , (werkwoord) , ef, ad, e-ad , itgesproken als em-m), hebben. Mag ik dät ebben? IJ ef niks.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hebben , g'ad , gehad
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hebben , hébbe , ik hé, heb, hek; gèij hét< , hebben , Mèèrge hék ’t kurwèèj klôr. Morgen heb ik het karwei klaar., Hás ze nog iejt gezeejd? Had zij nog iets gezegd?, Zèij hán gin zin um te komme speule. Zij hadden geen zin om te komen spelen., Hé ’t hart nie! Heb het hart niet. Waag het niet! , Gehad is lùllek, hébbe is de kunst. Gehad is lelijk, hebben is de kunst.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hebben , emme , werkwoord , hebben (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hebben , höbbe , ich höb, doe höbs, gae höbtj, hae haet, wae höb , 1. hebben 2. zich ~ = ruziën , Dae ’t breid haet, lieëtj ’t breid hange. Dao höbbe wae ós: nu praten we over hetzelfde. Det haaj get aan, vuuer ze aan waas: het duurde een tijdje voordat ze aangekleed was. Es wae alles haje, den haje angere niks. ’t Good höbbe. Haatj gae t’raan gedach det gae mörge zootj kómme? Höbbe is höbbe, mer kriege is de kuns(t)! Ich höb ’t hieëlemaol mèt dich gehadj! Ich höb ’t t’r neet stief op. Örges niks van in höbbe: geen eigenschappen bezitten van. Zoea höbs se get, zoea höbs se niks!: niets staat vast. Werk höbbe is niks, mer werk haoje!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hebben , hèbbe , onregelmatig werkwoord , hèbbe - ha/hò - gehad , "hebben; hèbbe - ha/hò - gehad; Boutkan: : hèbbe - ha/had - gehad; — Praesens: ik hèb - gij hèt - hij heej ; imp. : heb; De Wijs – Hôj gezee dettiejum bij’m hâ? (feb. 1962); De Wijs – (bij oplossing van ’n puzzle) ’t hee hil wè d’ín veur dè ge d’r ûit komt (17-08-1964); Cees Robben: Ik hè wèl gezien ...; ik moet van Piete niks hèbbe; Cees Robben: Ge hèt gin gelèèk, mar ge krèèget wèl ... ik hèbbes zat...; gezegde: Henk van Rijen: et er hard óp hèbbe - erop gebrand zijn; Henk van Rijen: khè oe nie gezien - ik heb je niet gezien; Henk van Rijen: ze hèn er lillek tegenòngeröst - ze h. een flink pak slaag gegeven; WvM 'en dao hek schon mesiek geheurt' - 'in B. hann ze un schon kerk'; WBD III.2.2:4 'het hebben' = menstrueren; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ;  HEBBEN, HEMMEN - had, hod, haai, ha - gehad; Jan Naaijkens, Dès Jan Naaijkens - Dè's Biks – - 1992 – ; (1992): hèbbe ww - hebben z.a. Gehad hèbbe; ""'k Zu gèèren Vinken 'ns efkes gesproken gehad hebbe"", zee oome Teun... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940); ""Jè, kèk, 't zit zoo: ik moes eigenlijk 'ns mee Anneke van hier tegenover gesproken gehad hebbe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -; hebben gebruikt in plaats van zijn; Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Ze hadden omgevallen'; 'Hèdde wiste kijken?'; Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Verbild oe is desse gas hadden gaon betrekken van de mijnen.'; Hij heeter, toen ie van school kwaam, ôk nog un paor weken in vaaste dienst gewist. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); gehad; gekregen; Hèddet gehad òf gevat?; Cees Robben - ... medòllie gekreege ..., dan hak ze nie gehad. Cees Robben - Ik hèb en naogelschèrke gehad; Pierre van Beek – gehad is lillek; Haor GEHAD is lillek; toegevoegd aan voltooid deelwoord ter versterking van het verleden; Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…èn daor hèbbek lang saome meej gewèrkt gehad…”; Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Ik heb toen bij Jantje Brouwers gewèrrekt gehad in den ollògstèèd want toen bèn ik meej, meej wèrkverlòf gekoome...”; ha;verleden tijd van ‘hèbbe’; had; Cees Robben – Dek praot genog hâ... (19590912) ; Cees Robben – En as Nordje ’t gekund hâ (19660429); hadder; samentrekking van had je er; Cees Robben – Hoeveul hadder op..? (19870703); zie Dossier 'hèbbe' - alle vormen; haggeter; samentrekking van had het er; Cees Robben – Jaanse haggeter nie op... (19700918); hakker; samentrekking van had ik er; Cees Robben – Op d’n duur hakker dorst van gekrege... (19590801); hakket; samentrekking van had ik het; Cees Robben – Dan hakket hier gelèèk gehad... Wè, hakket hakket... As ge haai had gegeten.. Dan hadde na törf gescheten... (19830812) [Gedane zaken nemen geen keer]; hakkum; samentrekking van had ik hem; Cees Robben – Akkum geraokt ha... Dan hakkum wel dôôd kunne slaon.. (19730706); hamme; samentrekking; hadden we, samentrekking uit 'hadden' + 'we', via 'hadde me' door assimilatie. eerste persoon meervoud, verleden tijd van ‘hèbbe’ = ‘han’, samengetrokken met voornaamwoord ‘we’; Cees Robben – Hamme mar ham... (19540313); han; verleden tijd meervoud van ‘hèbbe’; hadden; Cees Robben – Wij wiessen precies weffer sôôrt dè we han... (19570525); Cees Robben – De ouden van dagen han wir is zonne aauwerwetsen aovend bij Tôôntjes in de Lancierstraot (19571221); Cees Robben - We han capecientjes en bekkerkes... (19570525); Cees Robben – Ze [twee vrienden] han saome gepesjonkeld/ En te veul van ’t goei gehad... (19620504); Cees Robben – Mar zo ze han geleerd,/ wier irst den roozenkraans gebid (19670428); Cees Robben – Vruuger han jong snotneuze.. en tirreswôrrig hebben snotneuze vort jong... (19790817); hannet; samentrekking van hadden het; Cees Robben – Peer van Dun en Maontje Môône... / Hannet wir is schôôn versierd (19701120) (19701120); hasse; samentrekking van had ze; Cees Robben – Spulle hasse zisse... (19781027); hatjutbèm; samentrekking van had hij het bij zich; Cees Robben – (19670217); hattie; samentrekking van had hij; Cees Robben – meer hattie nie.. (19580913); hattum; samentrekking van had hem; Cees Robben - Ik zeg vattum.. en hij viet.. en hij hattum... (19690214); hèdde; samentrekking van heb je; 'hèbbe' met samengetrokken voornaamwoord; - heb je, hebt ge/gij, hebt u, hebben jullie — Persoonsvorm 'hebt' geassimileerd met enclitisch pronomen 'ge'. WTT 2013 - 'Hèdde' wordt vaak, maar niet uitsluitend, in de vragende vorm gebruikt. In zowel de vragende als de stellende vorm kan herhaling van het voornaamwoord plaatsvinden (zie onder). Tweede persoon - gij, ge, je, jij; - Gerard van Leyborgh (=ps. van Lambert de Wijs) - Mar Harrie hedde gin brievekópke in oewe zak, want dan mot ik toch nog effe weg schrève. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 24 oktober 1925; Tilburgsche Schetsen: Ceciliafeest) ; - 1999 Jan Naaijkens - Wie kende niet het vraagspelletje: ""Hedde gij dè mèndje (mandje) nog? Welk mèndje? Waor Mozes in gescheten hè."" (Het dorp van onze jeugd; 1999); - Pierre van Beek - ""Marie, ik kan een schoon stukske leer goeikoop overnemen. Hedde 'n paar gulden veur me?"" Marie schoot af, het leer verwisselde van eigenaar en er was geld voor een borrel. (Het Nieuwsblad van het Zuiden - woensdag 21 mei 1969; Gebrs. Van Houtum zadelmakers); - A.J.A.C. van Delft - Hup mèr Jaans, den beer ies los,/ Heddum nie hoore brulle?/ Snijd um z'n neus en oore aaf,/ Dan hedde nog wè te smulle. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 18 mei 1929; Van vroeger dagen 115: Op z’n Pallieters); - Anoniem (wsch. Pierre van Beek) - ""Hedde naauw ôot zo gezien"" bezigt men bij tegenspraak, zogoed als: ""lopt naor de maon"", hoepelt op! (Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 28 maart 1958; Typisch Tilburgs en Tilburgse typen 13; Spreekwijzen in dialect.); - Cees Robben - Moeder heeft haar Wimke verteld van het jonge leven dat zich in haar lichaam ontwikkelt en ze vraagt 'm: ‘wè hedde naa 't liefste Wimke, unne jongen of 'n meske...?' 'Nou moeder, as 't jou nie te veul moeite kost... gift men dan mar 'n fietske...' (Robben en Rooms, ‘D’n ooievaar’; 1981); - Cees Robben – ‘Monseigneur, ik vat de pen op,/ want ik kan 't niemer aon.../ Hedde nie ter assistentie/ unne nuuwe kapelaon...? (Robben en Rooms, ‘’t Meske...’; 1981); - Kubke Kladder (=ps. van Pierre van Beek) - 'n Klokhuis hedde in 'n appel, dè is 't middelste, waor de pitjes inzitten. Tilburg mee z'ne kraans van durpen is 't binnenste van Brabant; en er zitten ôk pitjes in, wè ik oe smoes. (Kubke Kladder, Uit 't klokhuis van Brabant 1, Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929 - Uit 't Klokhuis van Brabant); - Piet Heerkens - M'n twee vurrige busselkes ""Örgel"" en ""Mus"" wieren over et algemeen heel goed onthaold en hier hedde dan busselke drie ""de kinkenduut"", oftewel de kikvorsch. (Voorwoord in ‘De Kinkenduut’, 1940); - 2013 – Aaf Brandt Corstius - De verplegers en verpleegsters kennen ook iedereen. Ze doen steeds de groetjes, en gaan op een fijne, familiaire wijze met hun patiënten om. 'Hedde kramp?' hoorde ik een broeder tegen een oudere patiënt zeggen. Dat is toch veel prettiger dan dat formele: 'Heeft u pijnlijke spiersamentrekkingen, mevrouw?' (Column ‘Tilburg’, in de Volkskrant, 25 februari 2013); - Henk van Rijen: hèdde swèls niks mir geheurd? / hèdde kaaw, kom mar gaaw; - Cees Robben: Hèdde dan nie êen of aander zieke kiep vur mèn zieke vrouw?; - J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEDDE voor hebt gij? HED voor den tweeden pers. enk. van den tegenw. tijd. HEDDER voor 'hebt gij er?' Z.a. - C. Verhoeven: -DE (hedde e.d.) zie aldaar. - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HEDDE - samentr. van 'hebde', 'hebt-de', - hebt gij; Tweede persoon - idem, maar met herhaling / versterking van het voornaamwoord; Cees Robben: Dan hèdde gij al veul aachter de rug. Cees Robben: Hèdde gij dan van mèn geheurd wèk list van jou geheurd hèb?; Tweede persoon - idem, maar met herhaling / versterking van het voornaamwoord in de tweede persoon meervoud - jullie; Cees Robben: Wèn schôon kènder hèdde göllie. Hebben als hulpwerkwoord waar 'zijn' grammaticaal verwacht wordt; Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): Hèdde wiste kèèke? - Ben je wezen kijken?; Gerard van Leyborgh (=ps. van Lambert de Wijs) - ""Hedde wiste klottere"" zegt de eene buurvrouw tegen de andere, wanneer zij met pakken en pakjes beladen elkander tegen komen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 5 december 1925 - Klottermarkt); heeget'; samentrekking van heeft het; van hèbbe + voornaamwoord (of lidwoord) het; heeft het; Hij heeget aaltij gezeej. Cees Robben: Die heeget van iemes die et ók geheurd heej. Ze heeget zeeker wir nie; Cees Robben: Die et veugeltje vènt die heeget nie, mar die et öthòlt. 3e pers.enk. 'hee(j)’ + 'et'; Cees Robben: óns Sieleke heeget himmòl nie óp mansvòlk begreepe; Cees Robben: den oopaa heeget bij mekaar geschrópt; fonetisch hiaat dat ontstond tussen 'hee(j)' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g'. (Zie Schuurmans: Enclit.pron.,blz.22); Henk van Rijen: hij heeget er hard op - hij staat er erg op te kijken; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ;  HEGET: samentr. van 'heeft het'; heej; heeft; Hij heej oope miezèèr; Cees Robben: Wè heej oew vrouw daor naa wir óp? Den dokter heej me ónderzòcht; Cees Robben: den dòkter die mèn dees verbóje heej; Kernkamp, Dialectenquete 1879: diejen boer heed'n luien knècht -die boer heeft een luien knecht; Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hij heej gezeej dèttie òn me zal dènke; de pestoor heej goeje wèèn; tegenwoordige tijd sing. 3e pers. van 'hèbbe'; heetjemop; samentrekking van heeft hij hem op; Cees Robben – Vur de wossum aon de zulder is heetjemop... (19711217) [Zeer snel eten, schrokken; het voedsel opgegeten hebben voordat het de kans heeft af te koelen]; hègget; samentrekking van hebt het; van hèbbe met voornaamwoord het; - hebt het; - 2e pers. van 'hèbbe' gevolgd door 'et', met infix g; Cees Robben: Gij hègget aaltij oover en aander; Cees Robben: ... èn hègget hart nie dègge verzoope töskomt !; Stadsnieuws (rubriek): Gij hègget aatij oover en aander, mar kèkt ok es nor oewèège. (120907); hèkker; samentrekking van heb ik er; Cees Robben – [Vader van drie kinderen spreekt:] Praot me nie van perbeere, Filippus.. Van perbeere hekker drie overgehaauwe... (19720107); hèmme; samentrekking van hebben we; Cees Robben – Dè hemme zat gehad... (19591017); Cees Robben – Hoem-pap-hemme...? (19590502); Interview met de heer De Kok (1978) – “Mar toen meej diejen bond hèmme hil veul laast meej gehad want die kwaam, die kwaame betaole èn ze zaate èn dan kwaame ze zôo ene keer hier, hè…” (transcriptie Hans Hessels 2014); hèn; samentrekking van hebben; WTT 2012 - waarschijnlijk alleen als eerste persoon meervoud in de voltooide tijd van 'hebben'; Henk van Rijen: 'W-hèn nat zat gehat' - We hebben regen genoeg gehad.; hèt; hebt, voorafgegaan door 'gij/ge'; Cees Robben: agger mar èèrg in hèt; ge hèt en schôon kiendje; Cees Robben: ge hèt genóg òn oewèège; ge hèt nògal geaffeseerd; Cees Robben: (imper.) hèt mar ginne bange, moeder; ge hèt meepesaant oew verzèt; Cees Robben: dan zèède nie wèrd dè ge em hèt; ge hèt gin gelèèk; van de inf. 'hèbbe', met assimilatie van de b; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HED voor den 2den pers. enk. v.d. tegenw. tijd. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HET - hebt (2e pers. tegenw. tijd van 'hebben'); hòd; verleden tijd van 'hèbbe', tweede persoon enkelvoud; Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Jao, ge hòd van die dôod…, ge hòd van die dôodsbidders hadde, die kwaame dan.”; hòdde; samentrekking van had je, had u, hadt ge/gij; Cees Robben – Dan hodde gij toch ôk gesmoord... (19560804); Henk van Rijen: hòdde gin hogger kaort ?; Ver;leden tijd van 'hèbbe' met ronding van de stamklinker (a) en assimilatie van de g van 'gij/ge'; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HOD: 2e hoofdvorm van 'hebben'; hògget; samentrekking van had het (na gij, hij/zij/et, gullie); - Hij hògget nie gedòcht; - 2e+3e pers.enk. 'hò' - 'et'; Het fonetisch hiaat tussen 'hò' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g' (Schuurmans: Encl.pron., blz. 22); Cees Robben – Ik hogget kunnen weten... (19651224); De Bont: § 242; hoj; haj; had hij; Hòj ginnen tèèd mir? - Had hij geen tijd meer?; Henk van Rijen: hij hòt nie gedòcht - hij had het niet gedacht; Henk van Rijen: 'Hò-j-oe?’ - Had hij je te pakken?; — 3e pers.enk. verledentijd van 'hèbbe', met d-apocope en samensmelting met enclitisch pronomen (ie), en klinkerronding (ò); hòkkoe; samentrekking van had ik je; Cees Robben – ; hòn; had(den); Daor hòn ze nie òn gedòcht. - Daar hadden ze niet aan gedacht. Cees Robben – ’n plekske/ waor blom hôn gestaon (19590822) ; Cees Robben – Wörrom z’um daor hôn neergezet (19590912); Henk van Rijen: 'Ze hòn niks op òf aon' - Ze waren naakt. Henk van Rijen: zöllie hòn meer as wij; Henk van Rijen: daor hòn ze nie òn gedòcht; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaart 72 geeft de ongeronde vorm: ha(n).; hòttie; samentrekking van had hij; van verleden tijd van ‘hèbbe’ met persoonlijk voornaamwoord ‘hij’; had hij; Cees Robben – Hoen huudje hottie op... (19600219); khèm; samentrekking van ik heb hem; Cees Robben – ‘khem tegen ’t derde verzekerd mar hij is nog alle riks werd.. (19681101)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hebben , hebbe , höbbe , hebben; höbbe (ald Veldes)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal