elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heinen

heinen , heinen , (zwak werkwoord, transitief) , De dichtgegroeide heiningsloten (grensslootjes) schoonmaken door de slappe kant der landen af te steken en op het land te halen. || In het voor- en najaar wordt er geordonneerd om te heinen. Welke (heiningsloten) alle behoorlijk moeten worden geheind en de kanten met de graaf afgestoken zonder met de zen te heinen, Proclamatie heiningschouw (Krommenie, a° 1893). – De eigenlijke betekenis van heinen is een erf afscheiden, door een grensslootje afperken, en in die zin komt het in de Middeleeuwen voor; vgl. Handv. v. Assend. 62: “Men sal schutten opten Uytterdijcken op gelijcke boeten als opten Hoogendijcken, ten waer dat de Uytterdijcken geheyndt waeren van den Hoogendijckˮ (a° 1465). – Vandaar heining en heinsloot, afsluiting, grenssloot; zie aldaar. In de algemene taal wordt heinen gebruikt van het afperken van een erf door middel van een haag. Zie verder FRANCK en Mnl. Wdb. op heinen. – Vgl. heinhaak, heinhoop en opheinen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heinen , hoine , werkwoord , Van hein of slootruigte zuiveren. Oorspronkelijk duidde heinen op het afbakenen, het aangeven van een grens. (vgl. Nederlands omheinen en heining), in dit geval: het weer zichtbaar maken van de grens tussen land en water. Zegswijze hoine en havene, dubbelzegging voor schoonmaken, verzorgen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
heinen , heininge , hèène, heine, afheininge , werkwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout; LPW: IJss), afheininge (KRS: Lang, Werk), heine (LPW: Bens, Lop, Pols), hèène (LPW: Bens, Lop, Cab) een weiland van een omheining voorzien De Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden hebben hèènen (Berns 1991, p. 151).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
heinen , heinigen , werkwoord , hetz. als vredigen, schutten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heinen , heinen , werkwoord , 1. opvangen (fig.), met tact tegemoet treden (vooral van iemand met een slecht humeur, een moeilijk karakter) 2. vangen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heinen , hène , een heining zetten om een weiland.
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
heinen , hééne , werkwoord , afrasteren (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal