elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: helm

helm , helm , (mannelijk) , helmen , halfrond hoofddeksel. Doch hier werd dit woord vroeger meer toegepast op het vlies, waarmede sommige kinderen ter wereld komen; onkundige vroedvrouwen en domme bakers plagen over zulke menschen, die met een helm geboren waren, veel te snappen, en hebben deswege allerlei zotte sprookjes medegedeeld. In mijn jeugd heb ik er dikwijls in kleuren van hooren vertellen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
helm , helm , in de zegswijs: mit ’n helm geboren wezen, zooveel als: bijzonder gelukkig zijn, vooral in het spel. Zij hangt samen met het volksgeloof, dat er zijn die toekomstige dingen zien gebeuren, vooral begrafenissen, branden, enz. Van zoo iemand zegt men, dat hij kwoad zijn ken, en derhalve met een helm, caput galeatum, moet geboren zijn. Komt een kind hiermede ter wereld, dan behoort die, zoo zegt het onkundige volk, terstond verbrand te worden, opdat het niet de ongelukkige gave van kwaad te moeten zien, deelachtig worde. In Drente en ook op de Veluwe is: half, of alf het vermogen om aanstaande gebeurtenissen door werkelijke aanschouwing te zien. Sara Burgerh. p. 147: Zij is met een Helm geboren en kan kwaad zien. – Oostfriesch. hê is mit ’n helm geboren, Westfaalsch he es med ’m helme geboren = hij is een gelukskind.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
helm , helm , de , helms , 1. helm De soldaoten haren de helm scheif op de kop staon (Nsch), De helm mot op, aj op de brommer zit (Rui), Dat olde mens kan in de toekomst kieken, zij is met de helm geboren (Pdh) 2. helmgras In de dunen gruit helm (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
helm , elm , helm
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
helm , helm , zelfstandig naamwoord , de; 1. helm 2. stukje vlies dat soms op het hoofd van de baby blijft bij de geboorte
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
helm , elm , (zelfstandig naamwoord) , helm. Uitdr.: IJ is met de elm op geboren ‘hij is helderziende’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
helm , elm , zelfstandig naamwoord , nageboorte van een merrie (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
helm , hèlm , zelfstandig naamwoord , helm; WBD nageboorte v.h. paard
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal