elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hengstig

hengstig , hengstig , bijvoeglijk naamwoord , geslachtsdriftig (bij paarden) (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 67).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
hengstig , hingstig , bijvoeglijk naamwoord , Var. als bij hingst = hengstig De mère is hingsig (Dwi), ’t Peerd is zo hingstig as ’n kraai (Row), ...was zo hingstig hie meeg het oet (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hengstig , hingstig , bijvoeglijk naamwoord , tochtig (van merries)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hengstig , hingsteg , bijvoeglijk naamwoord , tochtig, gezegd van een merrie (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hengstig , hèngsteg , bijvoeglijk naamwoord , WBD geneigd tot paren (v.e. merrie); WBD (Hasselt) kaod hèngsteg staon -ook genoemd 'pèèrdeg' of 'pèrdeg' v. e. merrie hengstig zijn
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal