elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hennep

hennep , kennip , hennip.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hennep , hanf , hennep, HD. Hanf, MHD. hanef, hanif, hanf.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hennep , hennep , (vrouwelijk) , hennep, cannabis sativa.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hennep , hennep , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – De zeildoekfabrikanten onderscheiden drie soorten van hennep: de mannelijke hennep (braakhennep of gelling), de vrouwelijke (schilhennep of schil) en de onzijdige (benthennep of bent). Deze laatste is taai en donker. – De elders gebruikelijke naam voor vrouwelijke hennep, zaailing, is onbekend. Elders in N.-Holl. spreekt men echter van zaling. || Van nu voortaen (sal) niemandt hem vervorderen eenige Netten ofte Verrendeels ter Marckt te brengen, ofte verkoopen, daer eenighe Salingh ofte Zaetdrager inne ghewrocht ende gebreyt is, ofte die van Hennip gemaeckt zijn, daar de fijne Hennip uyt genomen is, Handv. v. Ench. 232a (a° 1624).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hennep , hannep , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hennep
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hennep , hump , humpt, hannep, hamp, hömp, hennep, hanf, hennip, h , de, het , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook humpt (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, wb:Noord-Drenthe), hannep (Zuidoost-Drents zandgebied), hamp (Zuidoost-Drents zandgebied), hömp (Midden-Drenthe), hennep (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), hanf (be:Zuidoost-Drenthe), hennip (Zuidwest-Drenthe, zuid), hemp (Zuidoost-Drents zandgebied), hempt (wb), hammik (vs, Zuidwest-Drenthe, noord) = hennep ‘Zij verdient er met spinnen van vlas en ‘hammik’ ook nog een duitje bij’ (vs)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hennep , kennip , hennep. Hennip heten de niet zaaddragende planten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hennep , ennep , ännep , (Kampen) hennep. Ook: ännep (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hennep , hennep , hennip , zelfstandig naamwoord , de; hennep
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hennep , kènnep , zelfstandig naamwoord , hennep (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal