elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heul

heul , heul , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Overwelfde opening in een dijk om gemeenschap te brengen tussen twee door die dijk gescheiden wateren (Assendelft). Synon. pomp. || Een ieder is verplicht … ten zijnen laste zijnde kunstwerken in de wegen, als heulen, duikers, zijlen en andere … behoorlijk te onderhouden, Keur v. d. polder Assendelft (a° 1894). – Zie verder Tijdschr. 9, 243 vlgg. en vgl. Mnl. Wdb. op hole. 2) In eigennamen. || De Heul (een buurt in het N. van Oostzaan, waarlangs een voetpad loopt; de Heul wordt niet voor het begin der 17de e. vermeld, maar is stellig ouder). Ook weiland, dat aan de weg in de Heul gelegen is, heet de Heul. – Te Krommenie vindt men land, genaamd het Heultje of Heultjesven, tussen de Uitweg en het Twisk. De oudste vermeldingen hiervan zijn: Een stucke lants ghenaempt Hoeltyen, Hs. U. 137 (a° 1592), prov. archief, ʼt Heultje, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 33. Dʼheultjes, ald., f° 36. Wellicht was hier eertijds een heul.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heul , heele , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , heeln , deelruimte boven de koeiestallen. Van de heele voorn, een kaal hoofd krijgen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
heul , hôle , m , slap figuur Wa ’nen hôle! Wat een slap figuur!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
heul , heul , zelfstandig naamwoord , heule , heultie , gemetselde brug over sloot of vliet Femilie van de stêêne heul Heel verre familie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
heul , heul , 1. duiker in een waterkering; 2. brug.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
heul , eul , zelfstandig naamwoord , slaapbol (papaver) (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
heul , heul , zelfstandig naamwoord , "WBD III.4.3:282 heul - slaapbol (Papaver somniferum); eul; slaapbol, klaproos, papaver; N. Daamen - handschrift 1916 - ""eulen- papavere""; Heuk. heul, eul (z.a.): papaver somniferum. WNT VI:702 eul, ool (van Lat. 'oleum'); FvW 250: heul I; SdG 359, 42, 335: heul; Kiliaen - eul, heul - papauer"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal