elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hevel

hevel , hèvel , (mannelijk) , hevel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hevel , heveld , (hévǝlt) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meerv. hevelden. Bij de zeildoekweverij. De sterke, korte draden in de kam, waaraan de schering wordt bevestigd. Ned. hevel of heveldraad. || Een kam van 45 hevelden. Ik heb ʼen heveld stukkend (een van mijn heveldraden is gebroken). – De vorm heveld kwam eertijds ook elders voor. Vgl. “hevelt, leenbint vel twijn, liciumˮ, bij HOFFMANN, Horae Belgicae 72, 42, aangehaald uit KIL. Evenzo Mnd. hevelte, licium (LÜBBEN). Vgl. verder Mnl. Wdb. op heveldraet; DE BO op hevel; KOOLMAN op hefel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
Hevel , Hevel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Benaming van verschillende stukken land in de ban van Oostzaanden. Thans naar het schijnt onbekend. || Noch een heveltge in Snoeckenweir, Polderl. Oostz. I (17de e.). Noch een hevel in Claes Heynenweer, ald. – Vgl. heuvel en Neuvelige ven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hevel , hiäävel , mannelijk , hevel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hevel , heevel , zuurdeeg, gebruikt in plaats van gist.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hevel , hevel , heuvel , de , hevels , (Zuid-Drenthe). Ook heuvel (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) = hevel, hefboom Bij ’t waogen smeren gebruukten wij een hevel um de waogen op te laoten rusten en ’t rad der of te haolen (Gie), Met een heuvel kuj de bomen oplichten dan wil de kette der makkelijker um toe (Hijk), Zet die hevel der maor onder dan licht ie hum wel (Hgv), Een olderwetse putte mit een hevel (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hevel , [restant (zuur)deeg] , hevel , restant van deeg gebruikt als zuurdesem voor volgend baksel, zuurdeeg.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hevel , hèèvel , hevel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hevel , hevel , zelfstandig naamwoord , de; hefboom, vaak van hout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hevel , heefel , zelfstandig naamwoord , gist (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal