elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hik

hik , hik , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een bepaald aandeel in de verponding. Thans verouderd. || Soo stellen die van Wormer ende Jhisp dese Schattinghe by Oogh, Hick en Prick, ende doet een Oogh Schots twaelf hondert guldens aen gelt; soo dat de gene die twaelf hondert guldens heeft by de Cas, ofte op Renten staende, die werdt op een Oogh ghestelt; ende een Oogh wederom wert verdeelt in acht deelen; ende een Man ofte Vrouw geen middelen hebbende, moet evenwel betalen naer advenant, een achtste-part, genaemt een Prick, ende geniet daer voor Buerrecht, ende beloopt het Oogh ende de Prick respectivelijck veel ofte weynigh, naer die kosten dat jaer vallen: Wederom, een Man ofte Vrouw, ofte bestorven Kinderen, die hebben 150 guldens aen goet, staen mede niet hoger als op een Prick: Yemant hebbende 300 guldens aen goet, die wert gestelt op een Hick; ende die 450 guldens aen goet heeft, die werdt ghestelt op een Hick ende Prick: 600 gulden is een half Oogh, 750 gulden is een half Oogh, Prick; 900 gulden half Oogh, Hick; 1050 guldens half Oogh, Hick ende Prick; 1200 guldens maekt een Oogh Schots (a° 1660), LAMS 149 vlg. – Hik komt van het nu verouderde werkwoord hikken, hakken, pikken, prikken (Mnl. Wdb. III, 434) en is eigenlijk de benaming van zeker teken, dat op de kerfstok voor de verponding werd gesneden, ter vertegenwoordiging der waarde van 300 gulden. Zie verder prik I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hik , hippik , hik.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hik , hik , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze gien hik of nik geve, geen kik geven, totaal niet reageren. Opmerking: Het woord hik komt nog voor in enkele oude volksrijmpjes. Zo’n rijmpje moest men – als men de hik had – ettelijke keren vlug na elkaar opzeggen bv. hik-sprik-sprouw, ik geef de hik an jou(w); ik hew de hik, ik hew ’m dik, ik hew ’m nou(w), ik geef ’m jou(w); ik en den hik (de nik) spronge samen over dik, ik kwam weer en den hik (de nik) bleef deer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hik , hik , zelfstandig naamwoord , hik. Rijmpje dat iedereen kende: Ik heb d’n hik / Ik heb de slik / Ik heb ’m nou / Ik heb ’m dan / ’k Geef ’m òn ’nen andere man / die ’m goed verdraoge kan.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
hik , hik , de , hikken , hik Ik heb de hik en ik kan hum niet kwietworden (Bov) *Ik en de hik gingen over het meer. De hik ging weg en ik kwam weer gezegd om de hik kwijt te raken (Ktv); Ik spik sprauw / Ik geef de hik aan jou (Dwi), zie ook snuk
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hik , hibbik , hik.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hik , hibbik , hikkepik, hippik , zelfstandig naamwoord , hik (Helmond en Peelland); hikkepik; hik (Land van Cuijk); hippik; hik (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal