elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoe zulk

hoe zulk , hou zukkent? , hou zōkkent , enkelvoud en meervoud = hou zukkes?, – zuks? = hoedanig een? hoedanige?
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoe zulk , hou zuk? , hoedanig? hou zuk weer is’t? hou zuk loaken heb ie koft? hou zuk land is dat doar? = welke soort van grond vindt men daar?
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoe zulk , houke , hoedanige; houke laien broeken ie in joen schoule? (Oldampt) = welke soort van leien worden bij u in de school gebruikt? houke schoapen heb ie bie joe, Engelse of inlandse? houke kloaver wordt bie joe verbaud? houk dak heb ie op joen schuur? houk goud heb ie koft veur ’n bōksen? Friesch hokke Neder-Betuwsch hoeke. Van: hoe, als: welke, van: wie; zulke van: zoo
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoe zulk , hukkend , hoedanig een, correlatief van: zukkend = zoodanig een. Zie: hou’n, en: hounent.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoe zulk , hükkend , hunend , Wat voor een? Hoe een? Ook: Hunend. Zie: zükkend (en § 60 der Inleiding).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
hoe zulk , houk , houke* , welk, evenals houke* samentrekking van houzōk(ke.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hoe zulk , houzōk , houzōkkend, houzōks , = houke* hooks* (bldz. 528.); (hoe zulk) = welk, hoe, hoedanig: houzōk weer was ʼt?
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hoe zulk , houks* , (bldz. 528), samentrekking van houzōks.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hoe zulk , [wat voor een] , hükkend , hükkende, hunend , Wat voor een? Hoe een? Wat soort van. Naast zulk soort van menschen, boeken, enz. Ook: Hunend. Zie zükkend.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hoe zulk , houks’n? , hoe zulke
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hoe zulk , [welke] , hoek , hoeke, hukke , wat voor, welke (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hoe zulk , hokke , hokken , wat voor, welke.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hoe zulk , hoelke , voornaamwoord , welke (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal