elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoeden

hoeden , huën , Tw. wegleggen, bewaren. Voor huden, hoeden. Eng. to hide, bedekken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
hoeden , huen , hoeden, bewaken, Kil. hueden, hoeden, Gron. huiden, daarvan in Hunsegoo (een gebouw met arbeiderswoning in de nabijheid van den zeedijk, huiderij geheeten en behoorende tot eene boerderij of een landhuis, oorspronkelijk bestemd om des nachts het vee te bergen dat des daags op de kweldergronden graasde.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hoeden , höën , (zwak werkwoord) , hoeden.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
hoeden , hö̂jen , (zwak werkwoord) , hoeden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hoeden , huiden , zie: huiderei.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoeden , houdjen , zie: houdjeballen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoeden , hö̂jen , Hoeden (van rundvee). Garrît î mot van dage de kô hö̂jen langs de barmen. Ook onpers. ʼt Hö̂jt vandage gud –ʼt Is goed weer om te hooien. Moi en hö̂jen? vraagt men iemand, die zich bijzonder haast met eten.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
hoeden , heuje , hoeden, de verrekes heuje (Verl. Z.). Zie opheuje.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
hoeden , hö̂jen , Hoeden (van rundvee).Garrît î mot van dage de kô hö̂jen langs de barmen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hoeden  , hüje , zich hoeden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hoeden , höien , hödde?, ehöt?; ik höie, dů hödst, hei höt, wi, i, zei höit , hoeden. Ik zal mi höien.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hoeden , heun , werkwoord, zwak , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: hot, verleden tijd: hodn, verleden deelwoord: , in ’t oog houden, hoeden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hoeden , hûje , hoeden Daor mot te ow ége goed vör hûje! Daar moet je jezelf goed voor hoeden! [Hub]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hoeden , huu:je , koeien hoeden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hoeden , heue , opheue , werkwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), opheue (KRS: Lang, Coth, Werk; LPW: Bens) 1. opjagen, voortdrijven van vee (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *omhale . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 68). In haar studie van de Krimpenerwaard is Van der Ent heuen tegengekomen in Stolwijk en Ammerstol. 2. (ww) opjagen van spreeuwen in een (kersen) boomgaard (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In de Vechtstreek komt het woord vinkenheuer voor, ter aanduiding van de jongen die de vogels verdrijft uit het rijpende koren (Van Veen1989, p. 68). In de Kromme-Rijnstreek en de Lopikerwaard wordt de combinatie juist gevormd met het gewas dat beschermd moet worden: kerse heue. Meer in het algemeen het beschermen van een gewas tegen gevogelte, bijvoorbeeld erwte heue (KRS: Lang) Bij het verjagen werd ‘heu heu’ geroepen; mogelijk is het woord hiervan afkomstig. Zie artikelen Uit de historie der Bunnikse boomgaarden en kersen in IJsselstein in hoofdstuk 5. Zie ook *kere . 3. (ww) bewaken van vee (bij voorbeeld paarden) op een niet-omheind land (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout) Vroeger werd onder het koren klaver gezaaid, en in de herfst, als het koren gemaaid was, weiden daar (na het ploegen) de paarden. Dit bouwland was niet van een omheining voorzien, en daarom moesten de paarden geheud worden. Niet altijd hoefden deze paarden bewaakt te worden; ook kon het weglopen voorkomen, of het terugvangen vergemakkelijkt worden, door ze te *kniebande (*kniehelstere ), het vastbinden van het voorbeen aan het *halster . Nadat de paarden een uur de tijd gehad hadden om zich vol te eten, waren ze verzadigd en lieten ze zich gemakkelijk vangen. Het los weiden was in een tijd zonder verkeer minder problematisch dan het nu zou zijn. Hier valt te denken aan een gewestelijke variant van hoeden , zoals ook het WNT suggereert. Het verspreidingsgebied van deze betekenis (alleen de Kromme-Rijnstreek) sluit deze (Oostnederlandse) umlaut van oe tot eu niet bij voorbaat uit. Anderzijds dienen we er rekening mee te houden dat het woord, in deze betekenis, typerend is voor streken met bouwland; de Kromme-Rijnstreek is (was) zo’n gebied, de Lopikerwaard niet.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
hoeden , huun , heuien, hunen, heunen, hoden, huiden, hoeden , zwak, onregelmatig werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook heuien (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), hunen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), heunen (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe), hoden (Veenkoloniën), huiden (Kop van Drenthe), hoeden (Kop van Drenthe) = hoeden, weiden Hij hödde de schaopen (Bov), De scheper is met de schaop an het huun (Emm), Wij bint an ’t koenen heunen laten weiden aan een touw, op de bermen langs de weg (Dwi), Hij lat de schaopen an de kanaaldiek huun (Geb), Vrogger worden de konen heund in ’t veld (Wap), Ik zal schaopen nog even huun laoten laten grazen (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoeden , hujen , hoeden (van vee).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hoeden , huun , hoeden. De nieje hârder heft ’t huun eleerd van zien vae. Verkleinvorm: huutien, hoedje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hoeden , huuje , hoeden , Vruuger din ze de biste huuje, mér tuun hôn’zer nie zó veul és teegewórreg. Vroeger werd het vee gehoed, maar toen hadden ze er niet zoveel vee als tegenwoordig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hoeden , huden , werkwoord , 1. (vooral van personen) goed in de gaten houden, stiekem op iemand letten 2. oppassen, drijven, met name van vee 3. bep. vee hebben, houden, bijv. Vroeger huudden we wel es een koe op ’e sparre, dan hadden we ’m an de stikke 4. zich hoeden voor, uitkijken voor
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hoeden , huuj , hoeden (mv)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hoeden , hujje , hoeden (van koeien)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hoeden , huuje , hoeden, bewaken van vee
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hoeden , huuje , hoeden, de dieren opjagen (bij het verscharen van vee)
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
hoeden , meej al die jông ôver de vloer kande mar blijve hu , met al die kinderen over de vloer moet je blijven opletten
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
hoeden , huuje , werkwoord , hoeden, bijv. koeien, of besluiteloos rondlopen (Land van Cuijk; Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hoeden , heuje , heutj, heudje, geheudj , 1. het vee hoeden 2. zich heuje = op zijn hoede zijn , Hae geit de sjäöp heuje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hoeden , huuje , werkwoord (zwak) , huuje - huujde - gehuujd , hoeden, bewaken; B: huuje-huude-gehuud; B: ik huu; gij/hij huut; Korte uu; Handschrift Daamen 1916: kaortspeulen is gin schaophuuje; De Bont: huuje(n) zw.ww.tr.+wederk. - hoeden; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HU(D)EN - hoeden, fr. garder.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hoeden , huu~je , huu~jde – gehuujd , hoeden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal