elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaaljakker

kaaljakker , [kale jonker] , kaaljakker , kale jonger.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kaaljakker , koljakker , zelfstandig naamwoord , kale meneer, kaalhans. Wordt in Beek nog al eens gebruikt voor allochtonen die doen alsof ze het breed hebben, maar twee uur lang voor één kopje koffie op het terras van De Egelantier blijven zitten. De dichter Bredero (1585-1618) kende ze al. In zijn Spaanse Brabander komt het woord in een iets andere vorm herhaaldelijk voor.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kaaljakker , kôljakker , nietsnutter
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kaaljakker , kaljakker , lefgozer, kapsoneslijer
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kaaljakker , kaljakker , kaoljakker , zelfstandig naamwoord , armoedzaaier (Eindhoven en Kempenland); kaoljakker; armoedzaaier (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kaaljakker , kaoljakker , kòljakker , zelfstandig naamwoord , onbemiddelde man die dit poogt te verbergen door heer te spelen; WNT kaaljager (kaoljaoger), aanmatigende arme duivel (Molema); Verhoeven (1978):  KAALJAKKER (koljakker) m. kale neet, opschepper. Z.a.; kòljakker; onbemiddelde man die dit poogt te verbergen door heer te spelen; WNT kaaljager (kaoljaoger), aanmatigende arme duivel (Molema); Verh. KAALJAKKER (koljakker) m. kale neet, opschepper. Z.aBiks koljakker zn - kale meneer, kaalhans
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal