elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaan

kaan , kaayen , overblijvende vezels van uitgebraden vet. Kil. kaye.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kaan , kaaijen , kaaiën , veeltijds kaën uitgesproken wordende, noemt men hier de vezels van geroost, gebraden of gesmolten vet, hoofdzakelijk dat van varkensdarmen. Dat het ee
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kaan , koanen , (zonder enkelvoud); zie: griggen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kaan , kanen , zie: griggen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kaan , kaojen , Kanen, uitgebraden stukjes vet. Ook N.-Br. O. V. I p. 210.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kaan , kaantje , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Alleen in de uitdr. dat is een kaantje, dat is een buitenkansje. || Dat’s ’en kaantje, hoor. – Men zegt ook: Dat is ’en kaantje nê zen hand (een kolfje naar zijn hand), alsook: dat is ’en kaantje voor ’em (dat is naar zijn zin, hij doet het graag).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kaan , kaander , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , 1) Kaan, uitgebraden vetklompje. Synon. kuinder, vink; zie aldaar. || Ik wil nog wel wat kaanders bij me greeuwe orten (grauwe erwten). 2) Hoofdzeer, klierachtige hoofduitslag. || Die jongen het ’en kaander (kletskop). 3) Iemand die een kaander (kletskop) heeft. || Smerige kaander!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kaan , kaai , kade , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bezinksel; de koek, die zich op de bodem van een schotel of emmer vormt, als men daarin troebel vocht laat staan (Assendelft). || Wat zit er ’en kaai op de boôm. Je moete ’et flessie schudden eer je inneme (inneemt), want onderwijl ’et staat komt er ’en kaai in. – In de 17de e. was in Waterland in dezelfde zin gebruikelijk kade. || Neemt een Emmer, ende schept die vol troubel water, en laet dan de Emmer een dag stil staen, en giet daer dan het klare water stillekens boven af, so sal daer een grote kade slibber op de bodem blijven sitten, LEEGHWATER, Haerlb.7, 12, § 28. – Mnl. kade, Ned. ka, kaai, en evenzo Mnd. kade, beduidt uitgebraden vetklompje, het korstje dat van slachtvet of spek overblijft, wanneer het vet er uit gesmolten is; vgl. Mnl. Wdb. III, 1094 op cade, en FRANCK 409 op kade. Volgens sommigen zou het synon. kaan ontstaan zijn uit het meerv. kaen (voor kaden), doch dit is twijfelachtig; zie ook kaander.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kaan , kaojen , Kanen, uitgebraden stukjes vet. Ook N.-Br. O. V. V. I., p. 210.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kaan , kaoje , kanen, uitgebraden vet.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kaan , kaên , Schijnt gecontraheerd van kanen. De overblijfzels van uitgebraden vet. Van deze kaên maken de kaarsmakers kaên-brood, ook wel kaars-koek genoemd, veel gebruikt om honden te voeden.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kaan , kaoje , kòôje , mv , kaantjes.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kaan , koane , lachwekkend dom iemand
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kaan , koanen , kanen (uitgesmolten stukjes vet)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kaan , komeze , kaantjes
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
kaan , kaantje , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze da’s gien kaantje, dat is geen pretje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kaan , koaje , oëtgebakke vleis; Ned. kaantjes.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kaan , kaoje , meervoud , vetklonters die overblijven als rund- of varkensvet wordt gesmolten; verkleinvorm kòjkes.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kaan , kaoikes , zelfstandig naamwoord , mv. kaantjes. Als het varken geslacht is wordt het vet uitgebakken. Het vet zelf stolt tot reuzel. In de pan blijven harde brokjes over. Dat zijn de kaoikes. Warmgemaakt smaken ze voortreffelijk op roggebrood, vooral indien er, zoals bij een echte Brabantse koffietafel, ’n brandewijntje bij gedronken wordt. In het Biks komt het woord alleen in het meervoud voor. In de twintiger jaren was “Jan Naoikes lust gin kaoikes”een veelgehoord scheldversje.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kaan , kaaie , zelfstandig naamwoord , kaantjes (KRS: Hout; LPW: Cab)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kaan , köagies , soldaten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kaan , köanties , kaantjes.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kaan , köagies , 1. rekruten; 2. kaantjes.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kaan , kaaie , de , kaaien , (Zuidwest-Drenthe) = beschuit Een kaaie was een traktatie veur kiender (Wsv), Ha lekker een kaaie mit iep beschuit met stroop (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kaan , kaon , de , kaonen , kaogies , Ook kaogies (mv. van het verkl. in Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = kaantje Veur het slachten hadden ze een panne op het vuur um kaonties uut te schrumpen (Hgv), Ik mag gèern stoet met kaonen, … kaogies (Sle), Kraanzevet wörde gebruukt vèur kaogies (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kaan , kooi , kaan. mv. kojen, verkl. kooikes, kanen uit gesmolten vet.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kaan , kao , (Gunninks woordenlijst van 1908) uitgebraden stukje spek of vet. Zie ook: kögies
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kaan , kaonen , zie kögies
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kaan , keuchies , kaantjes. ’n Snee brood met keuchies, daor bink gek op!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kaan , kaojkes , kaantjes , Ge moet gin kaojkes wulle eete, vur't váéreke ôn de liir hèngt. Je moet geen kaantjes willen eten, voor het varken op de ladder hangt. Je moet je tijd afwachten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kaan , kaaie , zelfstandig naamwoord , de; 1. beschuit 2. in een zute kaaie zoetekauw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kaan , kaon , zelfstandig naamwoord , de; stukje uitgebraden, uitgesmolten vet of spek van een varken of evt. een koe
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kaan , kaoie , zelfstandig naamwoord , kaantjes van uitgebakken vetweefsel Een snee brôôd met kaoie en stroop was een traktaosie Een boterham met kaantjes en stroop was een traktatie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kaan , koojkes , kaantjes
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kaan , koi-jkes , kaantjes
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
kaan , kögies , (zelfstandig naamwoord) , (all. mv.), kaantjes, de kleine bruine stukjes die overblijven van uitgebraden reuzel, kalfs- of rundvet.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kaan , kaoje , kaojkes , kaantjes, deze werden gemaakt van het vet dat tegen de binnenkant van de ribben van het varken zat, het zogenaamde plukvet, in de oorlog maakte men oo , Janus pak nog mar wa kaoje, want daor zennur zat = Janus, neem nog maar wat kaantjes, want er zijn er genoeg
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kaan , kooje , uitgebakken stukjes veervet, kaantjes
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kaan , kaoi , kaoien , kaantjes, stukjes gebraden spek of vet (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kaan , keugies , 1. oogdrek, slaap in de ooghoeken; 2. kaantjes.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kaan , kaoikes , kooie , zelfstandig naamwoord, meervoud , kaantjes (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); kooie; kaantjes (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kaan , kaojke , zelfstandig naamwoord , "komt meestal in de verkleinvorm voor; kaantjes, stukjes uitgebraden reuzel; - de gewone vorm 'kaoj' komt echter ook voor, het meervoud is dan 'kaoje'; - de korte vorm 'kòjke' is gangbaar naast 'kaojkes'; WNT KAAN, wsch. oorspr. meervoudsvorm. A) Vliezig overblijfsel van een stuk(je) uitgebraden vet. z.a. — De n in 'kaantjes' is ontstaan uit het mv. 'kaaien'. kaoikes; Van Delft - - ""In het veurjaor koopen wu een vèrreken, een knap vèrreke of een trappistevèrreke, en als ie het goed gedaon hee, dan gaot ie mee Korsmis op de leer en komt de buurt stuiten en 's avonds op de kaoikes.""(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); Cees Robben - Pietje.. lustte iets van ’t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klöfkes.../ Kienebak soms uit de nek... (19550205); Cees Robben – [Hij] hee gin kaoikes in z’n köpke. Nee mar herses.. (19540522; Lechim - Vur et braoie van de kaoikes... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Moederdag‘); Lechim - gin goei booter mir op oe brôod/ allêen mar kneut, of kaoikes. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Oktober... spaormònd‘); Piet van Beers – ‘Kaoikes’: Kaoikes van ennen aawe zog./ 't Knarste èn kròkte tusse m’ n taande... (Spoeje doemmeniemer; 2009); Piet van Beers – ‘Kaoikes’: Wild oe èège ene gang bespaore/ nor taandarts of ""smoelesmid""?/ Kopt gin kaoikes öt de reklaome./ Want... dè kost' n nuu gebit. (Spoeje doemmeniemer; 2009); Van den Bredevoort - Soms waar un vèèrke pas geslacht, waar der zult en bloedworst en kaoikes zat… (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); kaoje; Daamen - Handschrift 1916:  'koaie - kaanen'; Cees Robben –  Bruine bôône meej wè kaoije... (19611221); Piet van Beers – ‘De stinpöst’: Vier ons vèrse worst èn peeje../  doet er mar wè jèùne bij./ 'n Bèkske zult 'n half pond kaoje/ èn tweej schèève balkenbrei. (Spoeje doemmeniemer; 2009); kaojkes; Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden - kaojkes in de kòp hèbbe (JM'50) - weinig verstand hebben; Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “Miet, gao mar gauw daor bij Bert Hòns (Haans), gao mar gaa vur en dubbeltje bintjes haole, dan hèbbe we mèèrege soep èn kaojkes, zôo… (transcriptie Hans Hessels 2014); Frans Verbunt:  gin kaojkes eete vurdèt vèèrken op de leer hangt; Frans Verbunt:  kaojkes in zene kòp hèbbe - dom zijn; Ansems - Luste kaojkes, of botterhammeworst... (Tony Ansems, Kan’k un aai hebbe op mijnen botterham;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010); Aanverwante bronnen; Bosch kaoikes - kaantjes; Hees kaai, kaan (1:77); Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): 'kaaikes' zelfstandig naamwoord , mv. - kaantjes; Verhoeven (1978):  KAAIKES (kaojkes), mv. - kaantjes, stukjes uitgebraden reuzel; van mnl. 'cade' randje. Bont zelfstandig naamwoord vr. (gewoonlijk in het mv.) kooi, kaai, kaan - uitgesmolten stukje vet of spek. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KAAIJEN noemt men hier de vezels van geroost, gebraden of gesmolten vet. Kiliaan: ""convenit cum verbo ????, i.e. uro, aduro, torreo.""; Antw. KAAI zelfstandig naamwoord v. - hard uitgebakken of afgesmolten stukje verkenslies of rundvet, in de wdbb. 'kaan', mnl. cade, kade."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kaan , kaoj , kaoje , kaantje; kaoje verdroogd oogvocht
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal