elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaar

kaar , kaar , Dit woord, afgeleid van het latijnsche carus, door Bilderdijk in zijne Verkl. Geslachtlijst aangehaald en door Weiland als geheel verouderd opgegeven, heb ik enkele reizen in de vroeger gewone beteekenis van vriend hooren bezigen.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
kaar , kaar , (vrouwelijk) , vischkaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kaar , kaar , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , 1) In pellerijen en oliemolens. Vierkante bakken, die van onder nauwer zijn dan van boven, van verschillende grootte en voor verschillende doeleinden. In een pelmolen in het bijzonder de grote bakken zonder bodem, waaruit de garst op de pelstenen loopt en die tot twee last garst kunnen bevatten. || We moeten ’et kaar weer vollen (vullen). Evenzo in rijstpellerijen de bak, waardoor de ongepelde rijst op de stenen loopt. – Het kleine kaar onder de stenen heet in een pelmolen hondehok; zie aldaar. – In oliemolens is het kaar of kaartje de kleine bak zonder bodem, aan de vuister (fornuis), waardoor het gewarmde meel als door een trechter in de bulen wordt gegoten. Verder vindt men daar een kaar aan de pletterij, om het zaad op de pletrollen te doen lopen, en een ander voor de oliebakken, om de olie in de bak te gieten. – Ook als naam van molens. || Het Kaar of ’t Ouwe Kaar, een oliemolen te O.-Zaandam. Het Nuwe Kaar, een pelmolen aldaar, gesloopt in 1796 of ’97. – Vanhier ook de geslachtsnaam VAN ’T KAAR, die in de Zaanstreek voorkomt. 2) Bij de visserij. Viskaar; een vierkante, met gaten doorboorde houten bak, om levende vis te bewaren. || Doen de palings maar in ’et kaar. (Wij) condemneren de voornoemde Gedaeghens in de boeten ende de breucken van Schuyt, Net, Ton, Taeck, ende het Gereetschap van dien, mitsgaders het Kaer met die gevangen Visch (rechtsrolle v. Oostzaanden, a° 1614), LAMS 315. Kaar heeft in de meeste Germ. talen het onzijdig geslacht, en evenzo in verschillende Ned. dialecten. Door WEILAND en VAN DALE echter wordt het woord alleen als vrouwelijk vermeld. Zie verder Mnl. Wdb. III, 1097.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kaar , kaar , vischkaar
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kaar , kaar , korf; bak of trechter waar het graan in wordt gestort.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kaar , kaar , mand, köärf; bi-jekaar: bi-jeköärf.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
kaar , kaar , zelfstandig naamwoord , mand waarin gevangen vis bewaard wordt (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek; de betekenis luidt daar: ‘een aan alle zijden gesloten, kubusvormige, houten of metalen bak met opklapbaar deksel in ’t bovenvlak, die in ’t water ligt en die dient om de vis levend te bewaren. Is de kaar van hout, dan stroomt het water er in tussen de planken door, waaruit ze bestaat en die niet aaneengesloten zijn; is ze van metaal, dan is ze aan alle zijden van gaatjes voorzien.’ (Van Veen 1989, p. 73).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kaar , kaar , kaore, ka, kao, koor , de , karen , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook kaore (Zuidwest-Drenthe, noord), ka (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), kao (Zuidwest-Drenthe, zuid), koor (Kop van Drenthe) = vierkante bak waarin men paling verzamelde Een kaore was een veerkaante bak met gaeten (Dwi), ...een bak die in het water dreef en waor aol in edaone worde (Hgv), De ka zat vaste in de boot (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kaar , keer , kaer, kaar, ka, kaore, kere , zelfstandig naamwoord , de; viskaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kaar , kaer , zelfstandig naamwoord , kaere , kaertie , [O] 1. tremel (spits toelopende vierkante bak met opening aan de onderkant, waardoor het te malen graan in de molen loopt) 2. kaar (doorboorde bak om levende vis in te bewaren)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kaar , kaar , zelfstandig naamwoord , bijenkorf (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal