elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaats

kaats , kaats , kets , De kaats of kets staan is goed durven of zijn belang zeggen. Ik stond hem de – enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kaats , kaats , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Spiegel. Weinig gebruikelijk. || Een leusnet, een caets, een knaep, Hs. Invent. (Jisp, a° 1687), prov. archief. Een leyninghstoel, een kaats, twee oude stoelen, Hs. invent. (Jisp, a° 1730), aldaar. – Ook in het N. van N.-Holl. is kaats in deze zin gebruikelijk. De spiegel heet wel zo, omdat hij alle voorwerpen weerkaatst.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kaats , kaats , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Schuurtje, een gebouwtje zonder zolder met schuin aflopend dak. Sommige kaatsen worden als woning gebruikt, maar meestal dienen zij tot bergplaats. || Een goed onderhouden burgerwoonhuis … met bleekveld daartegenover en daarop staande kaats of woonhuisje, Advertentie (Zaandam, a° 1881). Cornelis Claese Backer op den Horn hadde versogt om voor sijn huys op den onderdijk een kaats of schuur te maken in meninge daar koeyen in te setten, hetwelk by regenten niet wert geapprobeert, Hs. (a° 1735), archief v. Krommenie. Een huisje of kaatsje, in ’t quohier bekent op den naam van Maartje Luikas, Hs. T. 31, f° 94 r° (W.-Zaandam, a° 1741), prov. archief. Een kaats of afluiving met het erf, staande in de Molenbuurt (te W.-Zaandam), Custb. (a° 1743). Twee kaatsen staande op een erf op ’t Dampad, ald. (a° 1748). Een huys met drie woningen en een kaas, ald. (a° 1750). – Het woord komt elders in N.-Holl. reeds in de 16de e. voor; vgl. VALCOOGH, Cron. v. d. Sype 102: (De dijkwerkers klagen) “In arme hutkens moeten wy slapen, in onsen kaets is soo weynich te freten.” – De oorsprong van het woord is onzeker. Wegens de vocaal is het twijfelachtig of kaats samenhangt met Mnl. kote, Mnd. kate, hut, huisje, zie Mnl. Wdb. op cote en FRANCK op kot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kaats , kaas , zelfstandig naamwoord de , 1. Kaats, schuurtje zonder zolder met schuin aflopend dak (verouderd). 2. Kistje van het model van een kaats, zoals dat gebruikt werd door gras- en graanmaaiers om er hun etenswaren in te bewaren. Vgl. stikkekaas. Het woord is verwant met kate, kote = kot, hut, huisje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kaats , kots , de , kotsen , (Zuidoost-Drents zandgebied) = kaatsbal Gooi mij die kots ies even toe (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kaats , kats , zelfstandig naamwoord , kaatsbal (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal